Maassluis, in de diepte

Naar Maassluis reis je tegenwoordig met de Rotterdamse metro die over de oude Hoek van Holland-spoorlijn rijdt. Ik stapte in Rotterdam Alexander op, de trein stopte op 20 tussenstations. Toch gaat het snel, 42 minuten later was ik in Maassluis. Buiten Rotterdam rijd je bovengronds, in de stad blijf je onder de grond. Je stapt uit op Maassluis Centrum en dan is het meteen genieten. Overal water, havens en bruggen. Vlakbij ligt de Waterweg met de Delflandsedijk, de eerste bescherming tegen het buitenwater. De kruin van die dijk ligt hoger dan de oude Maasdijk die de stad vroeger beschermde.

Maassluis is gebouwd in twee etages. Het deel buiten de Maasdijk ligt hoog. Door de haven komt het getij binnen met soms hoge waterstanden. Maar het oudste deel van de stad, daar waar het allemaal begon, ligt laag. Deze twee delen worden gescheiden door de oude Maasdijk, met daarin de sluizen voor de uitwatering van het binnenwater. Het hoge deel heeft meer allure, is wereldser. Hier liggen, aan de haven, de huizen van de kapiteins en stuurlui die met hun slepers in alle uithoeken van de wereld kwamen: het is Hollands Glorie van Jan de Hartog. Aan de lage kant van de Maasdijk is het kleinsteeds. Dit is de samenleving zoals door Maarten ’t Hart beschreven in Het roer kan nog zesmaal om. Men kreeg er ruzie over de schrijfwijze van het woordje Heere.

Maassluis dankt zijn ontstaan aan de bouw van een sluis aan de Maas voor de uitwatering van Maasland. Oorspronkelijk heette het daarom Maaslandsluis. Bij die sluis vestigden zich vissers. Die moesten voor alle officiële handelingen naar Maasland, wat ze op den duur een beetje zat werden. En dus deden ze moeite om zelfstandig te worden. Dat lukte in 1614. In het centrum liggen twee vaarten, de Noordvliet en de Zuidvliet, die waterden uit op het Scheur. Maar de Maasdijk moest gesloten kunnen worden bij hoog buitenwater en daarom waren er uitwateringssluizen in de dijk: de Monstersche Sluis in de Noordvliet en de Wateringsche Sluis in de Zuidvliet. Die sluizen zijn nu permanent dicht. De dijk en de sluizen vormen de afsluiting van het oude centrum.

Aan de westkant van het hogere deel zie je een geweldige kerk, de Groote Kerk, gebouwd in 1629/39 op het Schanseiland. Deze is gebouwd naar het model van de Amsterdamse Noorderkerk. Niet alle Maassluizers gingen vanuit de diepte op naar deze kerk, er waren veel mogelijkheden. Dat ze in Maassluis zo goed op de hoogte waren van het geloof, zal wel bevorderd zijn door de vele plaatselijke godgeleerden. De plaats werd gesticht door dominee Fenacolius, ene Aegidius Francken schreef er zijn Stellige God-Geleertheyd en Abraham Kuyper, de emancipator van de ‘kleine luyden’, werd er geboren. Zijn geboortehuis staat aan de noordzijde van de Zuidvliet, de Dr. Kuyperkade. Nu is daar het Kruidvat gevestigd.

De Hoogstraat – in feite de Maasdijk – ligt tussen de beide sluizen in. Daar ligt ook het vroegere stadhuis, nu Nationaal Sleepvaart Museum. De huizen zijn hier op en tegen de dijk aan gebouwd. Aan de andere kant ligt de Stadhuiskade. Die vormt de afsluiting van de Kolk (de haven) die in open verbinding staat met het buitenwater. Hier liggen de historische sleepboten, want Maassluis was de thuishaven van sleepvaartbedrijf Smit en bergingsbedrijf Van den Tak. Het is de moeite waard om een kijkje te nemen in het museum en je te laten voorlichten door de vrijwilligers, merendeels mensen uit het vak. Op de kade staat een plaquette voor Jan de Hartog. Daar ligt ook de Furie uit Hollands Glorie.

Ook het Museum Maassluis op de Zuiddijk is de moeite waard als je iets van de geschiedenis wilt weten. De schilder Jongkind woonde zes jaar in Maassluis en schilderde er Hollandse taferelen met schaatsers in waterland. Er liggen drie dikke delen God-Geleertheyd en nog andere verhandelingen van Aegidius Francken. Vanuit Maassluis was er een veer naar Den Briel aan de overkant, kilometers zeilen over gevaarlijk water. Hoeveel veiliger is alles nu geworden! Wat heeft het diepgelegen Maassluis niet doorstaan aan dat grote, gevaarlijke buitenwater? Niet voor niets steekt die kerk boven alles uit!

Gezicht op de noordzijde van de Maas, Jacob Quack, Jan Houwens (I), 1665
Geplaatst in Kijken | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Napoleons nalatenschap

DSC_7610

De Zuid-Willemsvaart tussen Bocholt en Lozen

In 1799 werd Napoleon Bonaparte – 30 jaar oud – eerste Consul van Frankrijk. België was deel van de Franse Republiek, Nederland was een quasi-zelfstandige (Bataafse) Republiek. Rivaliteit was er tussen die twee sinds de Tachtigjarige Oorlog. Vóór Amsterdam was Antwerpen de belangrijkste haven van de wereld. In 1803 bezocht Napoleon Antwerpen en de Antwerpenaren vroegen om een rechtstreekse verbinding met de Rijn. Daar had Napoleon wel oren naar, want hij had weinig vertrouwen in zijn relatie met de eigenzinnige Hollanders. Antwerpen zou zijn oorlogshaven worden, het pistool op de borst van Engeland. Met een kanaal zou het hout, nodig voor de bouw van zijn oorlogsschepen, rechtstreeks uit de Duitse wouden naar de Antwerpse werven kunnen worden aangevoerd.

Het Grand Canal du Nord zou uit twee delen bestaan: het eerste deel van Antwerpen naar de Maas en het tweede deel van de Maas naar de Rijn. Napoleon – in 1804 keizer geworden – keurde het ontwerp in 1806 goed. Het kanaal zou volledig binnen zijn keizerrijk liggen, dicht langs de grens met de Bataafse Republiek, maar niet daaroverheen. Dat betekende: van Antwerpen langs Weert naar Venlo, want Limburg was ook deel van het Franse keizerrijk. Daar zou het de Maas kruisen en vervolgens verbinding maken met de Rijn – Frankrijks oostgrens – bij Neuss. Het kanaal zou 188 kilometer lang worden: 135 km van Antwerpen naar Venlo en 53 km van Venlo naar Neuss. Maar tussen Venlo en Neuss liggen heuvels, dus het kanaal moest eerst door zeven sluizen vanaf de Maas omhoog en dan weer door twee sluizen omlaag naar de Rijn. Maar nog veel erger was het tussen Antwerpen en Venlo: daar moest het hoogteverschil worden overbrugd door 28 sluizen, 17 omhoog van Antwerpen naar het Belgische Bocholt (niet ver van Weert), en daarna door elf sluizen omlaag naar de Maas bij Venlo. Omdat men water verliest bij het schutten (en door lek en verdamping) moest het kanaal worden gevoed met Maaswater dat van Maastricht, waar de Maas hoger ligt, werd aangevoerd naar Bocholt. Daar was een groot reservoir gepland, het Bassin Napoleon, als voeding voor de kanalen naar het oosten en westen – natuurlijk met een standbeeld van de keizer in het midden.

Deze diashow vereist JavaScript.

In 1808 begon men met graven. Duizenden arbeiders gingen met kruiwagens en schoppen aan de gang. Ook werd gestart met de bouw van de sluizen. Even over de grens bij Venlo – in Louisenbourg, genoemd naar Marie Louise van Oostenrijk, Napoleons tweede echtgenote – kwam een kampement voor de arbeiders. Daar werd ook de eerste van de zeven sluizen gebouwd voor de afdaling naar de Maas. De ruwbouw van deze sluis is nog te zien, net als grote delen van het kanaal tussen de Maas en de Rijn. Tussen Antwerpen en Venlo werden ook grote stukken kanaal gegraven, maar sluizen werden hier nog niet gebouwd. Want in 1810 werd Nederland ingelijfd bij het Franse keizerrijk en Napoleons Nederlandse raadgevers fluisterden hem toen in dat hij dat kanaal maar beter kon vergeten. Schepen konden gewoon de Rijn afvaren naar Rotterdam of Dordrecht, prima havens in zijn geëxpandeerde keizerrijk. De Belgen zagen die raad als de zoveelste streek van ‘de Hollanders’.

DSC_7592

De Zuid-Willemsvaart vanaf Sluis 17 bij Lozen richting Weert

Na Napoleons nederlaag in 1815 werd het voedingskanaal van Maastricht naar Bocholt en de kanaalsectie van Bocholt naar Nederweert onder koning Willem I omgevormd tot Zuid-Willemsvaart en doorgetrokken naar ’s Hertogenbosch. Ook daarover waren de Belgen kwaad. Willem was toch koning van het Verenigd Koninkrijk, waarom dan niet naar Antwerpen? Het telde allemaal op bij de haat tegen ‘de Hollanders’ en droeg zo bij aan de afscheiding van 1830, waarmee het zuidelijke deel van de Zuid-Willemsvaart Belgisch werd. En na de definitieve scheiding in 1839 verlengden de Belgen dat kanaal meteen naar Antwerpen. Dat werd het Kempenkanaal dat zich bij Bocholt, even voor de grens met Nederland, afsplitst van de Zuid-Willemsvaart en met 17 sluizen naar Antwerpen liep. Tientallen jaren weigerden de Belgen zelfs de naam Zuid-Willemsvaart te gebruiken; zij spraken van het kanaal van Maastricht naar ’s Hertogenbosch.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het Kempenkanaal werd later hernoemd tot Kanaal van Herentals naar Bocholt, omdat het bij Herentals aansluit op het Albertkanaal. Het is mooi gelegen in de vroeger armzalige heidevelden van de Kempen, nu zijn daar bossen met chique dorpen en grote villa’s. Je kunt erlangs fietsen en de originele tweetrapssluizen uit 1845 bewonderen. Uit dezelfde tijd dateren de sluizen 17 en 18 in het Belgische deel van de Zuid-Willemsvaart, bij Lozen en Bocholt (zie satellietbeeld boven). Het ziet er allemaal heel gemoedelijk uit, maar pas op: als Hollander wil je nog wel eens over de duidelijk getrokken verbodslijnen heen stappen om even beter te kijken. Dat wordt in België niet gewaardeerd: ‘gij zijt toch niet van de navigatie, dus wilt u hier wel verdwijnen’. Ook na tweehonderd jaar zijn de verschillen tussen Nederland en België niet weg!

DSC_7618

Sluis 18 bij Bocholt in de Zuid-Willemsvaart

Geplaatst in Fietsen, Kijken | Tags: , | 2 reacties

Zieuwent, uit moeras gewonnen

Zieuwent

Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dankzij een door Rob Wolfs ontworpen wandeling kwamen wij terecht in het dorp Zieuwent in de Achterhoek. Nooit van gehoord natuurlijk. Maar zowel de plaats als de omgeving is boeiend. Het gebied rond het dorp was vroeger moeras. Het water kwam van de hoge gronden bij Lichtenvoorde vandaan en stroomde af naar de IJssel. Dat ging moeizaam door het flauwe verhang bij Zieuwent en dus stond het gebied jaarlijks lang onder water. Op het bodemkaartje is te zien dat er een groot laagveengebied lag tussen Lichtenvoorde en Ruurlo, en op het Actueel Hoogtebestand zie je dat het maaiveld bij Lichtenvoorde hoog ligt (rood) en noordelijk van Zieuwent laag (blauw). Het verschil is drie meter over een afstand van zes kilometer. Zieuwent zelf ligt ongeveer een meter hoger dan zijn omgeving.

Oorspronkelijk was er helemaal geen sprake van een dorp. De mensen woonden in groepjes bij elkaar op hogere plekken, zogenaamde droebels. Het hele gebied tot aan Ruurlo heette ‘het Zieuwent’, en die naam zou afkomstig zijn van ‘Syenwede’, met als betekenis: ‘laag moerasbos, gelegen aan langzaam stromend water’. De ontwatering van het Zieuwent is al in de 13eeuw begonnen. Daardoor konden mensen zich hier vestigen. In de 18en 19eeuw werden de Veengoot en de Baakse Beek naar het zuidoosten verlengd waardoor de ontwatering verbeterde. Pas in de 20eeuw werd het gebied ontsloten door verharding van zandwegen. Na eerdere natte jaren werd tussen 1970 en 1980 een ruilverkaveling uitgevoerd en de grondwaterspiegel verlaagd. Wateroverlast behoort nu tot het verleden. Maar zoals altijd, los je een probleem nooit definitief op: lage waterstanden zijn slecht voor de natuur. Het moerasprobleem is veranderd in een verdrogingsprobleem.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het dorp Zieuwent werd gevormd bij een droebel genaamd ‘t Hoenderboom. Daar werd in 1795 een kerk gebouwd: katholiek, want dat was die hele omgeving. (In de Tachtigjarige Oorlog bleef de streek lang Spaans.) Die kerk kwam er na een ruzie met een pastoor in Harreveld, een paar kilometer zuidelijker. Ondanks hun armoede legden de mensen uit het Zieuwent geld bij elkaar om een kerk te bouwen. De kerk werd verfraaid met kroonluchters, een orgel, een uurwerk en luidklokken, alles opgebracht door de gemeenteleden. De gemeente groeide, de kerk moest worden vergroot. Dat was in 1837.

DSC_7749

Die kerk werd ook weer te klein en dus moest er een nieuwe komen. Die moest groter zijn dan de kerk van het naburige Harreveld. De bedevaartskerk van Kevelaer was het grote voorbeeld – daar trokken de parochianen in 1895 en ‘96 heen. Bij de aartsbisschop in Utrecht lag een ontwerp klaar van de Arnhemse architect J.W. Boerbooms. Het was eerder door andere parochies afgewezen omdat het te duur was. Maar de parochianen van Zieuwent zagen er wel wat in; ze konden zelf meewerken met karren en schoppen om kosten te sparen. Toch vond de bisschop het te groots worden en daarom beval hij om de kerk enkele meters te verkleinen – tot verdriet van Boerbooms. Die maakte zelf niet meer mee dat de Sint Werenfriduskerk in 1899 werd geopend door de aartsbisschop; hij overleed in dat jaar op 49-jarige leeftijd. Na de opening werd het interieur verfraaid met altaren, muurschilderingen, gebrandschilderde ramen en alles wat een katholieke kerk moet hebben. Het is een en al pracht en praal in deze kerk, opgebracht door enkele honderden gezinnen waarvan de meeste in armoe leefden.

DSC_7735

Interieur van de Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dat het dorp zo hard groeide mag voor een flink deel worden toegeschreven aan de kerk. A.A. Woppereis schrijft in zijn jeugdherinneringen over Zieuwent dat zijn ouders, na hun huwelijk in de Sint Werenfriduskerk in 1921, ‘overeenkomstig de leer van de katholieke kerk en onder toezicht van de pastoor, onmiddellijk begonnen met de gezinsvorming’. Dat gezin telde negen kinderen, in die tijd ongeveer het gemiddelde; zijn grootmoeder had 99 kleinkinderen uit elf eigen kinderen. Die kinderen lagen met drie in één bed, het derde kind met het hoofd tussen de voeten van twee anderen. In de kerk was een speciale kraambank waar vrouwen na de kraam konden biechten. Waarom? Ze zouden mogelijk sexuele genoegens kunnen hebben gehad tijdens de verwekking van hun kind. Maar veel plezier zal dat niet zijn geweest, vrouwen werd ingeprent dat ze hun man nooit mochten weigeren.

Het dorp was honderd procent katholiek en een hechte gemeenschap. Er konden wel eens allochtonen binnenkomen uit verder weggelegen plaatsen – in Nederland wel te verstaan. Als daar een enkele keer een protestant bij was, werd die gemeden als de pest. Zijn kinderen zaten alleen in de schoolbanken, liepen alleen naar huis, speelden alleen en zelf hadden de ouders ook niemand. Allochtonen van een ander geloof hielden het niet langer dan twee jaar uit.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ik wandelde rond en in het dorp. Het veen is verdwenen, er zijn grote huizen gebouwd waar men met vier personen woont, in plaats van met tien. Je bent zo aan de rand van het dorp en dan zie je weiden en boomsingels. De mensen zijn uitermate vriendelijk, alle kinderen die ik tegenkwam groetten. Ik zag een net verkocht huis, met vlaggetjes en een bord ‘Welkom in de buurt’. Op veel plaatsen domineert nog de kerk, maar dat is alleen het gebouw. De macht van de kerk is verdwenen, de pastoor is er niet meer en, zonder voorschriften over het aantal kinderen dat ze moeten baren, hebben de vrouwen misschien zelfs plezier met hun mannen. Een mensenleeftijd – minder dan een eeuw – en een wereld van verschil!

Gebruikte literatuur: J. en R. Boekelder, De historie van Zieuwent; A.A. Wopereis,Waor bu’j van? Een terugblik op mijn jeugd in het dorp Zieuwent in de jaren 1930-1947; A.M.A.J. Driessen, Gij beken eeuwig vloeijend. Water in de streek van Rijn en IJssel.

 

Geplaatst in Nadenken, Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Tuindorp Vreewijk (Rotterdam)

DSC_6821

De kruising van Groene Zoom en Grift

Het Rotterdamse tuindorp Vreewijk bestaat 100 jaar. Het is het grootste tuindorp van Nederland. De naam Vreewijk kreeg het in 1916, een van die vreselijke jaren van de Eerste Wereldoorlog. De wens tot vrede was er ook in Nederland.

Arbeiders woonden in sloppen en stegen, in kelders en eenkamerwoningen. Ziekte en dood waren overal. Kinderen stierven net wat minder dan er geboren werden: elk jaar 20% in de armere wijken. En daarom presenteerde de Engelsman Ebenezer Howard in 1898 het tuinstad-concept in zijn boek To-morrow, a peaceful path to real reform. Het werd in 1902 herdrukt als Garden cities of to-morrow en kreeg internationale bekendheid. Het is geen boeiende lectuur: het gaat vooral over de eigendom van de grond. In de ogen van Ebenezer Howard combineert de tuinstad het goede van het dorp met het voordeel van de stad. Een droom van eeuwigdurend geluk, illusoir waar Howard als kenmerken noemt: lage belastingen, veel werk en lage prijzen, geen overwerk. Maar heel praktisch bij: zuivere lucht, zuiver water en een goed rioolstelsel. En wie zou niet denken dat mooie huizen en mooie tuinen samengaan met opgewektheid en gezondheid?

Deze diashow vereist JavaScript.

In Engeland verrezen enkele tuinsteden, in Duitsland ook, onder meer van de firma Krupp in Essen. In Nederland sloeg de gedachte ook aan: in 1913 richtte de Rotterdamse bankier en voorzitter van de Kamer van Koophandel mr. K.P. van der Mandele samen met enkele andere notabelen de NV Eerste Rotterdamsche Tuindorp op. U ziet: industriëlen en bankiers doen niet alleen slechte dingen. In 1916 werd een dochterbedrijf opgericht: de NV Maatschappij Vreewijk; deze voldeed aan de criteria van de Woningwet van 1901 (de eerste woningwet!) om subsidie te verkrijgen voor de bouw van het tuindorp. Vervolgens maakte Berlage een stratenplan en werden andere architecten (De Roos & Overeijnder en Granpré Molière, Verhagen) ingeschakeld voor woningontwerp. Het eerste deel van het tuindorp werd gebouwd in De Vlieger (de plattegrond heeft de vorm van een vlieger), ik heb het omcirkeld op de bijgevoegde detailkaart.

Er zijn twee hoofdassen, Dreef en Lede, met op het kruispunt een klein centrum, de Brink, en daaromheen smallere woonstraten. De randen worden gevormd door de Groene Hilledijk, Bree, Lange Geer en Groene Zoom. Alle namen gaan terug op landelijke begrippen: een dreef is een brede weg waarover men een kudde naar het open veld dreef, een lede is een waterloop, een enk een hooggelegen akker, een vonder een brug. Het stratenplan werd gevormd naar de oude dijken en sloten die er al waren. Op de kaart met het actueel hoogtebestand is te zien dat de Groene Hilledijk en de Dordtse straatweg hoger liggen dan de omgeving. Ook het terrein van het voormalige Zuiderziekenhuis ligt wat hoger. Alhoewel dus een enk een hoger gelegen akker is, is dat hier niet het geval: het terrein loopt van noord naar zuid af; voorbij de Enk is het nog lager.

DSC_6815

Enk

Men probeerde het ontwerp zo te maken dat de huizen aan twee kanten bezonning hadden: ’s morgens vanuit het oosten en ’s avonds vanuit het westen. Dat kan als de straten zoveel mogelijk noord-zuid lopen. Hier loopt alleen de Groene Zoom zuiver oost-west. Maar zelfs in het veel kleinere deel De Valkenier zijn de straten noord-zuid. Langere straten moeten een beetje gebogen zijn om de wind te breken. Teveel is niet goed, want dan wordt het bebouwen moeilijker. Aan het einde van zichtlijnen is een markant gebouw gewenst en bij de kruising van de hoofdwegen horen winkels. Geen café met sterke drank, wel een gemeenschapshuis waar koffie en chocolademelk werden geschonken. En ergens nog een badhuis om de hygiëne te bevorderen. Daar werd overigens weinig gebruik van gemaakt, de arbeiders vonden die hygiëne niet zo belangrijk. Ze wasten zich in hun keukentje wel met behulp van een teiltje water, waar het hele gezin daarna gebruik van kon maken.

Deze diashow vereist JavaScript.

Belangrijk waren de tuintjes en vooral ook de schooltuinen. Die laatste heb ik niet teruggevonden. Wel veel tuinen, de wijk is enorm groen. Ook in echte woonstraten, zoals Maarland, waar de woningen geen voortuinen hebben, is er achter de woningen een gemeenschappelijk stukje groen. Dat sommige mensen daar niets om geven en lelijke schuttingen plaatsen is niet te voorkomen. Vroeger kreeg zo iemand een inspectrice van de woningstichting over de vloer, die hem of haar dringend adviseerde de zaak een beetje knap te maken. In de museumwoning op Lede 40 werd ik rondgeleid door zo’n voormalige inspectrice, ze liet me mooie dingen zien. Vreewijk is een aantal jaren geleden opgeknapt door de woningcorporatie; de wijk was verpauperd maar dankzij gelden uit de pot van mevrouw Vogelaar ziet het er weer prachtig uit.

Nadat ik de wijk was doorgelopen kwam ik bij het voormalige Zuiderziekenhuis. Dat wordt afgebroken en daaromheen bouwen ze nu nieuwe woningen. Niet onaardig, maar onvergelijkbaar met de tuinstadgedachte. De tuinstad heeft iets heel knus, je ziet de arbeider uit de fabriek thuiskomen en na het werk tevreden zijn pijpje roken of nog wat schoffelen in de tuin, terwijl moeder de vrouw de aardappels opzet. Een goede combinatie van vrijheid en coöperatie, volgens Ebenezer Howard. De arbeider toen was niet vrij, hoe kon hij dan samenwerken? Hij werd uitgebuit en niemand bekommerde zich om zijn gezondheid of die van zijn gezin. Niemand? Toch wel, want het waren kapitalisten die de tuinstad vormgaven en zo een rol speelden in de verbetering van de leefwijze van arbeiders. En zo is Vreewijk niet alleen een stedelijk monument, maar verbeeldt het ook de geschiedenis van de emancipatie van de arbeider.

Deze diashow vereist JavaScript.

Literatuur: (1) G. Feenstra, Tuinsteden en Volkshuisvesting in Nederland en buitenland, Amsterdam, 1920; (2) Saskia Jonkergouw, Tuindorp Vreewijk – op zoek naar de oorsprong van een initiatief.

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | 1 reactie

Kleef of Kleve?

Park Johan Maurits van Nassau

Park van Kleef met Grand Canal en Elten in de verte

Het Duitse Kleve ligt, vanuit Nijmegen, nog geen 20 kilometer over de grens. Het was vroeger een hertogdom, net zoals Gelre, en het heeft daar altijd nauwe banden mee gehad. De hertogen van Gelre waren oorspronkelijk afkomstig uit het gebied zuidelijk van Kleef. Maar ook de talen aan beide kanten van de grens lagen dicht bij elkaar. Volgens de Duitse Wikipedia is de spraak in dit deel van Nordrhein-Westfalen het Kleverländisch en dat is nauw verwant aan het Zuid-Gelders. In die taal spreekt men, net als in het Nederlands, van Kleef, niet van Kleve.

Kleef ligt op een heuvel en net als bij Nijmegen is er sprake van een bovenstad en een benedenstad. In de bovenstad ligt de Zwanenburcht en vandaar heeft men een prachtig zicht op het Rijndal. Aan de overkant van dat dal liggen Emmerich en Elten. Daar tussendoor stroomt de Rijn.

DSC_6752

Kleef met de Zwanenburcht en de Stiftskerk

Hoe Nederlands Kleef was, blijkt uit twee belangrijke toeristische attracties. In het lage deel van Kleef, iets buiten de stad, ligt een prachtig park, in de zeventiende eeuw aangelegd door Johan Maurits (Johann Moritz) van Nassau-Siegen – tevens bewoner van het Mauritshuis in Den Haag. Het tuinontwerp was van Jacob van Campen, de architect van het Paleis op de Dam. Hoe deze Johan Maurits daar kwam is interessant, omdat het laat zien hoe vooraanstaand Nederland in die tijd was. Johan Maurits – eerder Nederlands gouverneur in Brazilië – werd in 1647 door Friedrich Wilhelm I, Keurvorst van Brandenburg, aangesteld als stadhouder van Kleef. Friedrich Wilhelm was telg uit het Huis Hohenzollern (van de latere Duitse keizers), maar had via zijn moeder nauwe banden met Nederland. Omdat Brandenburg een achterblijvende staat was, werd hij voor zijn opvoeding naar het welvarende Nederland gestuurd. Later werd Brandenburg, en daarmee Kleef, deel van het koninkrijk Pruisen.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het is een mooi park dat bestaat uit twee delen, aan weerszijden van de Tiergartenstrasse. Hogerop ligt het amfitheater en het Sterrenbos met de obelisk. Aan de lage kant ligt het Grand Canal, precies in de lijn van de obelisk naar de Sint-Vituskerk op de Elterberg. Rechts van het Grand Canal ligt een wandelbos met bloementuin. Toen Lodewijk XIV dit zag, wilde hij ook zoiets bij Versailles. Maar omdat hij de Zonnekoning was, moest het natuurlijk wel een maatje groter worden.

DSC08750

Gezicht naar de Koekkoekplatz en het B.C. Koekkoek-Haus

De tweede attractie in Kleef is het B.C. Koekkoek-Haus aan de Koekkoekplatz. De Nederlandse landschapschilder Barend Koekkoek woonde hier van 1841 tot zijn dood in 1862. Hij had er een tekenschool en maakte veel romantische landschappen met bosachtige heuvels en brede dalen. Het museum ligt aan het eind van een aflopende stroom met fonteinen, dichtbij een van de vroegere stadspoorten. Er zijn ook enkele moderne schilderijen tentoongesteld.

Deze diashow vereist JavaScript.

Wat verder opvalt aan Kleef is vooral het nieuwe. Alles is van na de Tweede Wereldoorlog. Na de mislukte Slag om Arnhem trokken de geallieerden hier naar de Rijn. Kleef en Emmerik werden op 7 oktober 1944 zwaar gebombardeerd en daarna nogmaals op 8 februari 1945. Ook Wesel, Goch, Rees en Kranenburg werden verwoest. Het was voor de Engelsen geen punt: demoraliseren van de vijand was noodzaak. Dat daar burgers bij omkwamen hoorde erbij.

The_British_Army_in_North-west_Europe_1944-45-_Military_Government_Restoring_Public_Utilities_at_Wesel_BU7670

Kleef na de bombardementen

Loop je vanaf het B.C. Koekkoek-Haus naar boven, dan kom je uit bij de Stiftskirche, geheel herbouwd na de oorlog. Ik vond hem van binnen wat steriel, maar het is wel een indrukwekkende kerk. In de directe omgeving zijn beelden geplaatst die herinneren aan de Nazi-tijd. Aan de kerk hangt het ‘Kreuz der Versöhnung’ en voor de kerk staat de ‘Tote Krieger’ van de beeldhouwer Ewald Mataré uit de Eerste Wereldoorlog. Over die oorlog schreef hij:  “.. wir kämpfen doch mit einer an Bewunderung grenzenden Zähigkeit. Und wozu?” Dat viel in Nazi-Duitsland niet in goede aarde, en daarom werd zijn ‘dode soldaat’ verwijderd: het was entartete Kunst. Na de Tweede Wereldoorlog werd het teruggevonden en alsnog hier geplaatst.

Deze diashow vereist JavaScript.

Bijzonder is de plaats waar de synagoge stond: leegte. Ook in Kleef was het Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Nu is dit een plaats van gedenken en inkeer. Het zal niet makkelijk zijn geweest, om na het platbombarderen van de stad, ook nog deze collectieve schuld te erkennen. Loop je verder naar beneden, dan kom je uit bij het Spoykanaal. Allemaal Wiederaufbau, niet lelijk en niet mooi. Maar de stad is de moeite van een bezoek zeker waard, alleen al door deze geschiedenis.

 

Geplaatst in Kijken | Een reactie plaatsen

IJmuiden: een sluis, een dorp

Zeesluis IJmuiden

De toegang tot de oude Zuidersluis

Wat een bedrijvigheid daar in IJmuiden. Hoogovens, enorme sluizen, vissershavens, een cementfabriek, containers. En dan te bedenken dat hier niets was dan duinen en een paar stropers en jutters. En toen kwam Amsterdam met zijn wensen. Die stad was eens de grootste haven van de wereld. Maar de uitgang naar Pampus en de Zuiderzee was nauwelijks meer bevaarbaar en dus besloot koning Willem I dat er een Noord-Hollands Kanaal moest komen. Rechtstreeks naar diep water bij Den Helder. Dat was, in 1816, een waagstuk, want zo’n groot kanaal was nog nergens ter wereld gemaakt. Tachtig kilometer lang en geschikt voor zeeschepen. Maar het werd een mislukking, want het kanaal was te lang en te klein. Verruimen zou heel veel geld kosten. En dus besloot koning Willem III dat er een kanaal moest komen door ‘Holland op zijn smalst’. Dat was in 1860.

Bron: RWS Beeldbank/Bart van Eyck, 1987

Het oude IJmuiden met de eerste twee sluizen binnen de cirkel.

De regering voelde er niet veel voor en de Tweede Kamer ook niet. Veel te duur en Amsterdam wilde zelf niets betalen. Maar de stad bleef zeuren en paaide de koning zodat het er toch van kwam. Het grote probleem was dat de duinen tevens zeewering waren, die moest worden doorbroken. Sluizen waren nodig als waterkering. Ook moesten er hoofden in zee worden gebouwd om op voldoende diep vaarwater uit te komen. Het werk was begroot op 18,5 miljoen gulden, maar het werd uiteindelijk 58 miljoen. Het werd uitgevoerd door de Amsterdamsche Kanaal Maatschappij, de AKM, een Engelse particuliere onderneming. Na veel problemen kon het kanaal in 1876 worden geopend door koning Willem III. Het was een fiasco voor de aandeelhouders; het kanaal werd in 1881 overgenomen door het Rijk.

De doorgraving van de duinen gebeurde grotendeels met de schop. Hoe bedroevend de arbeidsomstandigheden waren, kun je lezen in De woede van Abraham van Conny Braam. Behalve het graven moesten natuurlijk ook nog de sluizen worden gebouwd en de hoofden in zee. Er kwamen twee sluizen, de Kleine Sluis met een oppervlak van 70 x 12 men later de Zuidersluis met 120 x 18 m(zie de panoramafoto). De nederzetting van arbeiders nodig voor alle werken werd daarna het dorp IJmuiden. In 1896 werd een aparte vissershaven geopend, er kwam een visafslag en een spoorwegstation om de vis af te voeren. In 1918 kwamen de hoogovens en in 1930 de cementfabriek Cemij, beide aan de overkant van het kanaal, in Velsen-Noord.

En nu wordt hier de grootste sluis van de wereld gebouwd: 500 m lang en 70 meter breed. Waarom zo groot? Voor de cruiseschepen, zegt men. Laten we kijken: Harmony of the Seas (2016) is de grootste: 360 m lang, 65 meter breed (bovenin) en 80 meter hoog! Er kunnen 6300 passagiers aan boord, samen met 2400 bemanningsleden. Leuk? Voor sommigen wel. En willen ze die in Amsterdam ontvangen? Ook daar geldt: voor enkelen graag. Voor veel anderen: liever niet. Maar in het informatiecentrum van de nieuwe sluis kun je lezen dat Amsterdam het milieu hoog in het vaandel heeft, met teksten als ‘Aarde stevent af op nieuw warmterecord’ en ‘Broeikasgassen naar nieuwe recordhoogte’. Nu al zal de nieuwe sluis, in verband met de stijgende zeespiegel, een kerende hoogte hebben van 8,75 meter boven NAP, ruim drie meter boven het huidige peil. Deze sluis zal die zeespiegelstijging zeker niet doen afnemen!

Deze diashow vereist JavaScript.

Behalve een bezoek aan het informatiecentrum SHIP maakte ik een wandeling door oud-IJmuiden. Het oude IJmuiden werd in de oorlog helemaal afgebroken, de Duitsers bouwden hier hun Atlantikwall. Maar ook het naoorlogse oude deel was slecht en dat wordt nu helemaal vernieuwd. De gemeente heeft er een leuke route uitgezet met veel informatie. Je hoeft niets te downloaden, geen routekaart te kopen, je begint gewoon bij een van de vele bordjes met uitleg die op straat zijn geplaatst. Een goed begin is bijvoorbeeld het mooie hotel Augusta, waaraan ook nog een boeiende geschiedenis is verbonden. De route is 5,5 kilometer lang, maar je kunt stukjes afsnijden. Daarna vis eten op de Kop van de Haven: de schepen varen dan zo ongeveer op je bord voorbij. Een aanrader voor een dagje uit!

Kop van de Haven

Kop van de Haven

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Nagele: een dorp uit één stuk

Centrale ruimte met rechts vm Hervormde kerk

Nagele, in de Noordoostpolder, is de moeite van een bezoek meer dan waard. Het dorp is uniek in Nederland, omdat het gebouwd is volgens principes die nergens zijn toegepast. Om het met Gerrit Rietveld, één van de architecten, te zeggen: het is “een poging om een dorp te maken uit één stuk (..) dit is een dorp, dat niet groeit maar in een keer bepaalt wordt en dan ook niet het karakter moet hebben van een gegroeid dorp; het toevallige element vervalt hier”. M. Kamerling, een andere ontwerper schreef dat men hier niet de (in 1953) gangbare gedachte wilde volgen, namelijk “dat men een landarbeidersdorp typisch stedelijk comfort zou moeten onthouden. (..) Een perfecte uitrusting [van het dorp] verhoogt het prestige van de groep en daarmede het zelfrespect van haar leden en de waardering voor eigen werk”. Men wilde een dorp bouwen met de allure van stedelijke perfectie.

De Noordoostpolder viel droog tijdens de oorlog. In 1946 werd het definitieve dorpenplan vastgesteld. Rond de hoofdplaats Emmeloord zouden tien dorpen komen, op een onderlinge afstand van 7 – 8 km, dit om fietsen naar het werk door de in de dorpen wonende landarbeiders mogelijk te maken. De Directie van de polder bepaalde wie er mocht komen boeren en wonen. De bevolking in de polder zou een afspiegeling moeten zijn van de Nederlandse samenleving, dus 1/3 rooms-katholiek, 1/3 protestant en 1/3 ‘overig’. Men moest van het kloeke type zijn, bereid en in staat een bijdrage te leveren aan de opbouw van de samenleving in de polder. In 1948 werd begonnen met de bouw van de eerste dorpen.

Deze diashow vereist JavaScript.

Alle dorpen in de polder, behalve Nagele, Espel en Tollebeek, werden ontworpen volgens de traditionele stedenbouw principes van de Delftse school van Granpré Molière. Hele woonwijken zijn na de oorlog tot stand gekomen volgens die principes, en, eerlijk gezegd, zijn ze nogal saai. Gelukkig waren er ook toen al enfants terribles in de architectuur, zoals de Amsterdamse groep De 8 en de Rotterdamse Opbouw, beide behorend tot de Nieuwe Zakelijkheid. Zij wilden met hun architectuur een bijdrage leveren aan een nieuwe samenleving en een ‘nieuw levensgevoel’. Bekende namen als Aldo van Eyck, Jaap Bakema, Gerrit Rietveld, Cornelis van Eesteren en Mien Ruys als tuin- en landschapsarchitect waren aan deze groepen verbonden.

Hunebed

Het ontwerp voor Nagele werd aanvankelijk gegund aan De 8; in 1952 kregen ze steun van de Rotterdamse Opbouw. Het definitieve ontwerp is van Van Eyck en Van Ginkel. In 1955 ging de eerste paal de grond in en in 1964 was het dorp “klaar”, alhoewel er daarna nog wel is bijgebouwd. Het bijzondere van het dorp is dat het aandoet als een wijk van een stad, met dorpse vriendelijkheid, en met heel veel open ruimte en groen. Alle publieke functies zijn geconcentreerd in de centrale open ruimte rond de Ring: kerken, scholen, winkels, en een café. Daaromheen liggen de wijkjes: zelfstandige wooneenheden met een eigen (kleinere) open groene ruimte, een soort echo van het grote geheel. Alles is in vierkanten ingedeeld; ook de huizen zijn rechte Mondriaan-achtige blokjes, zonder schuine daken. Dwars door het dorp loopt de Nagelervaart; de vaart loopt in een slinger (loodrecht!) door de centrale open ruimte. Rond het dorp is een aaneengesloten windsingel (40 m breed) van hoge bomen. Deze zorgen voor beslotenheid in de weidse polder. Vandaar dat men Nagele ook noemt: een ruimte in de ruimte.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ik wandelde er op een mooie winterdag en vond het prachtig. Ruim met (kleine) tuinen en soms ook nog groenstroken tussen de huizen in, soms erfjes waar kippen en geiten scharrelen. Weinig auto’s in de straten, die staan allemaal in de parkeerkommen, geen lelijke reclameborden, geen vuil op straat. De bomen zijn inmiddels hoog geworden en deze staan soms prachtig in rijen, dan weer in groepen of als solitair. De drie kerken die ik zag waren sprekend door hun vormen en kleuren. Oorspronkelijk een katholieke kerk, een hervormde en een gereformeerde. Nu is de katholieke museum, de hervormde is van de Christelijke gemeente Nederland en de gereformeerde is Samen op Weg kerk geworden.

Koolzaadhof

Koolzaadhof

De winkels lagen op een soort mini-Lijnbaan, Noorderwinkels en Zuiderwinkels geheten. Het ontwerp is van Groosman, ze zijn nog steeds mooi, ook al hebben ze niet meer de oorspronkelijke functie. Er wonen nu 2000 mensen in Nagele, terwijl het oorspronkelijk bedoeld was voor 700 landarbeiders. Maar die hadden toen geen auto, dus kochten ze alles in het dorp. Nu staan er ook veel huizen in het duurdere segment.

Ik eindigde mijn wandeling in het museum van Nagele, de voormalige katholieke kerk. Hier een interessant overzicht van de geschiedenis van de polder en het dorp. Daar kocht ik ook het boek: Nagele met tekst van Anneke van Veen en prachtige zwartwit foto’s van Theo Baart en Cary Markerink. Veel van de bovenstaande informatie heb ik uit dit boek.

Ring met vm Gereformeerde kerk

Ring met vm Gereformeerde kerk

Geplaatst in Wandelen | Tags: | 1 reactie

Philips’ Eindhoven

DSC_4859

Uitspraak van Gerard Philips

Zeg je Eindhoven, dan zeg je Philips. We waren er nog nooit geweest, en de berichten erover waren niet gunstig: wanordelijk en druk, geen structuur, veel rommelige winkels. Waarom wil je daar nou twee dagen heen? Onze reden was simpel: we fietsten door Brabant en even de stad in is dan leuk. En, merkwaardig, bij de tweede verkenning is Eindhoven dan toch heel aangenaam en interessant.

We logeerden in het Art hotel, middenin het centrum, vlakbij het station. Het zit in de voormalige Lichttoren van Philips. Mooi industrieel erfgoed. Ga je naar buiten, dan kom je in een groene oase te midden van de drukte. Daar liggen nog meer voormalige Philips gebouwen en die krijgen of hebben nu allemaal andere bestemmingen. Verbazingwekkend hoeveel Philips hier was. Verder naar het westen zie je helemaal hoe groot dat bedrijf was. In het centrum worden nu hoge woontorens gebouwd. Daar ligt ook een Bijenkorf, pal naast het station. De Vestdijk spoortunnel met typische Wederopbouw-beelden vormt een boeiend contrast met deze moderne architectuur.

Deze diashow vereist JavaScript.

Wij gingen eerst langs de Dommel lopen. In die buurt zaten vroeger veel kleine fabriekjes – tabak, linnen – en zo kom je ook bij het Van Abbemuseum. Van Abbe was sigarenfabrikant in Eindhoven en kennelijk verdiende hij zo veel met zijn Karel I-sigaren, dat hij schilderijen kon kopen en nog geld over had om de stad een museum cadeau te doen. Een sigaar uit eigen doos, want het volk betaalde hem voor zijn giftige rookwaren. Maar hij wist niet beter. De kunst die we hier nu zien, zou hij misschien niet hebben gekocht; iedere tijd heeft zijn eigen waarden. Langs de Dommel lopend, kom je ook bij het Lex en Edo Hornemannplantsoen. Op Hitlers 56e en laatste verjaardag, vlak voor het einde van de oorlog, werd vanuit Berlijn opdracht gegeven om alle sporen van het verderfelijke bewind uit te wissen. De jongens hoorden daar ook bij.

DSC_4772

Lex en Edo Hornemannplantsoen

De torens van de St. Catharinakerk beheersen Eindhoven. Deze kerk is van 1861, toen moet Eindhoven nog heel klein zijn geweest. Maar wat een enorme kerk is dat. Gebouwd door Cuypers en dus rijk gedecoreerd. Hij werd geopend op de Feestdag van de Heilige Catharina. Zij was het vijfentwintigste kind in een Toscaans gezin, geboren in 1347. Ze werd 33 jaar oud maar haar CV is indrukwekkend. Kardinalen die de beest uithingen, en dat deden ze toen bijna allemaal, kregen wat te horen van haar. Ze haalde zelfs de paus over zijn zetel te verplaatsen van Avignon naar Rome. En zij heeft ook de ‘genade van het mystieke huwelijk’ ontvangen. Wat dat is, weet ik niet. De Wikipedia vermeldt dat Jezus aan haar verscheen, waarbij zij Zijn Hart kreeg en Hij het hare. Paus Johannes Paulus riep haar in 1999 uit tot ‘patrones van Europa’. Wie zegt dat het geloof dood is?

Deze diashow vereist JavaScript.

Philips bouwde veel fabrieken in Strijp. Nu is dat allemaal Eindhoven, maar vroeger lag het erbuiten. Het bedrijf werd gesticht door Gerard met kapitaal van zijn vader. Gerard werd in 1858 geboren in Zaltbommel; hij zat enige jaren op de HBS in Arnhem. Hij moet dan les hebben gehad van H.A. Lorentz, de latere Nobelprijswinnaar en naamgever van de school. Gerard studeerde werktuigbouw in Delft en werkte enkele jaren in Glasgow. Omdat hij meer wilde weten over elektronica, bezocht hij daar nogmaals de universiteit. Lord Kelvin was een van zijn hoogleraren. In 1891 kocht Gerard een fabriekje in Eindhoven, en begon met lampen. Na 1910 liet hij een fabrieksdorp bouwen voor zijn personeel. Het werd geroemd om zijn goede voorzieningen. Het Philipsdorp werd ontworpen door ir. G.J. de Jongh, gepensioneerd directeur van Gemeentewerken in Rotterdam.

DSC_4860

Strijp-S, industrieel erfgoed

Het voormalige Philipsterrein met al zijn fabrieken wordt nu omgebouwd tot een alternatief woon- en werkgebied. Het ziet er goed uit met leuke winkels, grappige trappen en luchtbruggen, veel groen en vrije busbanen. Op een van de gebouwen stond een tekst van Gerard Philips: In het begin moest ik alles alleen doen. Zo’n tekst vind ik ontroerend; wij zien alleen de grootheid van die man, maar uit zijn woorden blijkt, hoe moeilijk het was en hoe eenzaam hij aanvankelijk werkte. Zijn zestien jaar jongere broer Anton werd (later) de commerciële man. Hij bouwde het bedrijf uit tot multinational. Maar de grondlegger was Gerard: inventief en bescheiden. Eindhoven plukt er nog de vruchten van.

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: , | 1 reactie

Julianakerk Heyplaat afgebrand

Deze galerij bevat 4 foto's.

Wie had kunnen denken dat zo kort na mijn bezoek aan Heyplaat de voormalige Hervormde kerk zou afbranden. Dat gebeurde op zondagavond 6 augustus 2017. Erg verdrietig voor de koper van die kerk, maar ook voor de mensen in het … Lees verder

Meer Galerijen | Tags: | Een reactie plaatsen

Heijplaat, een Rotterdams industrie-tuindorp

DSC_3821

Heijplaat met zicht op Waalhaven

Als je op zoek bent naar plaatsen met een bijzonder karakter, dan is het Rotterdamse Heijplaat zeer geschikt. Het heeft eigenlijk alles voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van industrie en architectuur, in havens, natuur en samenleving. Zelden zag ik op een klein stukje grond zoveel variatie. Alleen al de reis ernaartoe is bijzonder. Ik nam tramlijn 8 en stapte uit bij de Pieter de Hoochweg. Daar nam ik de Waterbus naar Heijplaat. Je komt dan aan op de kade van de voormalige Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Daar zie je een enorme Onderzeebootloods en het oude kantoor van de RDM. Even verder ligt het tuindorp, gebouwd in 1916-1925 voor werknemers van de RDM. Een deel is afgebroken en er worden nu zelfs nieuwe energieneutrale huizen gebouwd. Ik liep door het oudste deel van het dorp en was daar een paar uur mee kwijt, inclusief koffie. Er is een goed café-restaurant en je kunt ook terecht in de voormalige kantine van de RDM.

Deze diashow vereist JavaScript.

De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij werd opgericht in 1902 en gevestigd op de Heijplaat. Het hele gebied was toen nog maagdelijk, de aanleg van Waalhaven begon pas in 1907. Directeur werd ir. M.G. (Marinus) de Gelder, die zelf het ontwerp voor de werf maakte, de machines kocht en het personeel aannam. Nadat de RDM een opdracht had gemist, omdat het onvoldoende personeel kon krijgen, besloot De Gelder dat er een tuindorp moest komen voor de arbeiders, naast de werf. De Gelder was sociaal, hij vond dat een werkgever verantwoordelijk was voor zijn werknemers. Daar hoorde goede huisvesting bij, ‘de opvoedende kracht van smaakvolle huizen’ was belangrijk volgens hem. Een tuinstad combineerde het goede van de stad met het dorp: ‘leven met de natuur, maar tevens hoogstaand geestelijk genot’.

Nadat de RDM 4 hectare terrein had gekocht (plus 1,3 hectare in erfpacht) van de gemeente Rotterdam, gaf hij de Amsterdamse architect H.A.J. Baander opdracht een ontwerp te maken. Daarvoor werd op 14 mei 1914 de Bouwmaatschappij Heyplaat opgericht, die de huizen ging bouwen en exploiteren. In 1917 werden 311 woningen in gebruik genomen, in de jaren twintig nog eens 180 die werden ontworpen door de Haagse architect S. de Clerq. De huizen waren voor die tijd ruim, met aandacht voor licht en lucht. Veel groen eromheen, gemiddeld 45 woningen per hectare. En – revolutionair voor die tijd – een watercloset en een losse badkuip onder het aanrecht in de keuken.

Deze diashow vereist JavaScript.

Op het hoogtepunt woonden op Heijplaat 5000 mensen. Wie gepensioneerd werd, moest verhuizen. De Onderzeebootloods werd gebouwd in de jaren 1928/29 en uitgebreid in 1946. In de jaren zestig begon de neergang van de Nederlandse scheepsbouw. Noodgedwongen werd gefuseerd met De Schelde, later met Verolme. Maar het hielp niet, Nederland werd te duur, alleen gespecialiseerde werven hielden het vol. Op 6 april 1983 was het bedrijf failliet, RDM Nederland ging door als staatsbedrijf. Nog later zou ‘bedrijvendokter’ Joep van den Nieuwenhuyzen redding komen brengen. Van scheepsbouw had hij geen verstand, van geld des te meer; hij was alleen minder sociaal dan zijn voorganger De Gelder. Zijn acties brachten hem zelfs voor de rechtbank, samen met voormalig havendirecteur Willem Scholten.

DSC_3758

Rondoplein en Letostraat

De scheepsbouw werd definitief beëindigd in 1996. Het havenbedrijf wilde toen ook het dorp slopen. Dat is gelukkig niet gebeurd dankzij protest van de bewoners. Zij hebben het dorp gered en wonen er zo te zien heel gelukkig.

Ik wandelde onder de poort van het RDM-kantoor naar de Alwinastraat, alwaar mooie huizen. Even later kwam ik op het Rondoplein met het muziekpaviljoen prinses Beatrix – toen prinses, nu weer. Het plantsoen wordt keurig onderhouden door enkele donkere landgenoten – die waren er niet in de glorietijd van de RDM. In de Alcorstraat (waar komen toch die vreemde straatnamen hier vandaan?) staan drie kerken: gereformeerd, katholiek en hervormd. Op de werkvloer werkten de mensen broederlijk samen, maar op zondag waren ze vreemden voor elkaar.

Deze diashow vereist JavaScript.

Er waren scholen, een badhuis, een jonggezellenhuis, een gebouw voor de brandweer en een politiepost. Op de Courzandseweg was een ontspanningsgebouw, dat is nu café-restaurant Courzand. Wat opvalt zijn de gebogen straten, de poortjes en de besloten pleintjes. De mensen werken nu ver weg in de stad, dus weinig auto’s tijdens mijn wandeling in het dorp. De mensen die ik buiten zag waren meest hondenbezitters. Niet alleen is het dorp zelf groen, ook daaromheen is dat het geval. En even daarbuiten de grote watervlakte van Waalhaven met enorme schepen, stapels containers en kranen die bedrijvig heen en weer schieten. Prachtig landschap met bijbehorend geluid. Een aanrader om hier een keer te kijken.

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: , , , | 1 reactie