Nijmegen rukt op met de Waalsprong

In 1935 stak Arnhem de Rijn over en ontstond op de oorspronkelijke stadswaarden een kleine woonwijk: Arnhem-Zuid. Maar Arnhem wilde meer en mocht niet groeien aan de noordkant, dat was Veluwe en dus natuurschoon. In het zuiden lag landbouwgrond en dat kon wel worden gemist. En dus kreeg Arnhem er in 1966 en 1974 grote stukken bij van Elst en later van Heteren. Zo ontstond de dubbelstad: ten zuiden van de Rijn werden in vijftig jaar net zoveel huizen gebouwd als in alle eeuwen daarvoor in Arnhem-Noord. Dat kunstje wilde Nijmegen wel nadoen, want Nijmegen was altijd groter dan Arnhem. In 1997/98 kreeg Nijmegen grond ten noorden van de Waal: Lent, Ressen en Oosterhout werden Nijmegen-Noord. En hoewel Elst veel grond was kwijtgeraakt, begon die gemeente ook als een razende te bouwen op het overgebleven deel. Huissen was daar al eerder mee begonnen. Met als gevolg dat de Over-Betuwe nu heel snel volgebouwd wordt.

En dus ging ik daar eens kijken bij die Waalsprong. Ik begon bij Ressen, een idyllisch dorpje, maar bij velen alleen bekend als knooppunt van snelwegen. Daar werd eerst een megabioscoop gebouwd, midden in het weiland. Met een grote parkeerplaats, waar je kon overstappen op de bus naar Nijmegen. Die megabioscoop ligt nog steeds ver van de stad, maar de stad rukt op, en het eerste weiland voorbij die bioscoop wordt nu ontwikkeld tot stadsgrond. Er ligt daar nog steeds een boerderij en ook het Rijn-Waal-fietspad loopt daar langs Ressen, maar het is duidelijk: hier komen huizen. In de verte draaien de windmolens en er komt ook nog een groot veld met zonnepanelen. Het landschap gaat eraan, maar kan dat iemand wat schelen? We moeten tenslotte wonen – een miljoen huizen erbij? De wijk die er al ligt heet Lentse Plas. Daar is het zand gewonnen voor de eerste uitbreiding van Lent als Nijmegen-Noord.

Aan de Plas worden drijvende huizen gebouwd. De makelaars melden dat ‘wonen op het water een gevoel van vrijheid en natuurbeleving geeft’. Volgens hen ‘voelt elke dag hier als een vakantiedag!’ Dat was niet mijn gevoel toen ik er rondliep: regen. Volgens De Gelderlander hebben de omwonenden nog bezwaar gemaakt tegen die drijvende huizen, maar de Raad van State wees dat af. Op de hoek van de plas staat een woordspeling: Lent-Mark; ik hoopte er wat te kunnen eten, maar nee, Coronatijd. Dan maar naar het oude dorp door het Notenlaantje: een herinnering aan het landschap dat hier was. Ook leuk: natuurspeeltuin ‘De Vieze Broek’ aan de John Lennonstraat, dichtbij basisschool ‘Het Talent’. Ik eindigde dit stuk van mijn wandeling op de Vrouwe Udasingel. Kleine huizen, geen voortuinen, maar toch een mooi gemeenteperk en kleurige voordeuren. De website Huis van de Nijmeegse geschiedenis geeft informatie over Vrouwe Uda. 

Na mijn lunch in het oude dorp ging ik naar de andere kant van de snelweg. Ik begon bij de waterplas aan de Griftdijk. Aan de oostkant van de dijk ligt de wijk Ressen, aan de westkant Oosterhout. Over de Terralaan (Oosterhout) liep ik naar de Weefgewichtstraat – wie verzint hier de straatnamen? – en kwam uit bij een mooi park langs de Annabellastraat. Veel water in deze buurt en ik moet zeggen mooi wonen. Bijzonder vind ik het waterbeheer: van de daken gaat het water door de regenpijp en een open gootje over de stoep naar de wadi in de straat. Buisriolering is er niet, alle wadi’s lozen rechtstreeks op de sloten. Het geeft ruimte en groen in de straten. Nadat ik de Griftdijk weer had overgestoken, kwam ik in de schrijversbuurt van de wijk Ressen (niet het dorp). Simon Carmiggelt – goed dat hij een straat heeft – laat zien hoe de stad het platteland overneemt. De noordgrens van Nijmegen is dit nog niet, want nog noordelijker bouwen ze het Zuiderveld. (Zijn ze hier in de war?) Ik nam Hella Haasse naar het zuiden, met dichtregels op de huizen. Zoals Garcia Lorca: ‘In het prille ochtendlicht zal ik de bloemen zien ontluiken’. Over een heuse Brink liep ik naar de Grote Boel, de naam van een verdwenen boerderij. Het boerenland is weg – jammer! – maar dit is fraai ontworpen.

Langs de Grote Boel liggen een paar hofjes. Ze lijken op de ouden-van-dagenhofjes van vroeger, maar zijn modern vormgegeven. Bij de Roald Dahlhof was een grote steen ingemetseld als herinnering aan de Grift, de eerste trekvaart in Nederland, aangelegd in 1604 tussen Arnhem en Nijmegen. Vergelijkbaar met het Rijn-Waal fietspad nu: toen deed je drie uur over de reis per trekschuit van Arnhem naar Nijmegen. Nu zoeven bejaarden met elektrische fietsen binnen een uur van de Rijn naar de Waal. Bij de Astrid Lindgrenhof hebben ze een landelijke sfeer geschapen met een waterput in een boerderij-achtige setting. En restaurant Brass bij de Louis Paul Boonstraat is vormgegeven als een moderne boerenschuur. Na de Grote Boel ben ik terug bij de waterplas waar ik dit stuk begon. Hier liggen nog enkele boerenhuisjes. Het contrast met de nieuwe stad is groot, maar ik heb er toch van genoten.

Over Ton Burgers

Civiel ingenieur, gespecialiseerd in waterbouwkunde. Interesse in architectuur en geschiedenis. Ik schreef enkele boeken, waaronder Nederlands Grote Rivieren, Sporen naar Arnhem Centraal, Het Nieuwe Utrecht Centraal en de Watermonumenten van Arnhem.
Dit bericht werd geplaatst in Kijken en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s