Kleurrijk Almere

Stadsklok van Almere

Ik was al heel lang van plan eens naar Almere te gaan. Maar naar welke wijk? Want Almere bestaat uit veel delen. Ik koos voor Centrum, makkelijk te bereiken per trein. Op de dag voor mijn tocht schreef Max Pam, columnist van de Volkskrant: ‘Algemeen wordt het centrum van Almere beschouwd als een stedenbouwkundige ramp’. Daarna koos hij ervoor om alles wat hij er zag lelijk te vinden. Merkwaardig, want het is zomer en de zon scheen. Ik was er twee dagen later in dezelfde omstandigheden, maar ervoer het heel anders. Was het de tijd van de dag? Toen ik ’s morgens om half elf aankwam, zag het er ook niet al te vrolijk uit. De Stationsstraat begon met Primark en eindigde met een somber ogend stadhuis op een te groot plein. Maar al heel snel daarna werd het zonnig en werd Almere een feest om door te lopen. Ik kocht een architectuur-route bij de VVV aan De Diagonaal 199 (zie mijn kaartje) en maakte een prachtige wandeling langs bijzondere gebouwen.

Almere Centrum is nog geen twintig jaren oud. Het is ontworpen door het bureau OMA van Rem Koolhaas. Sinds het oorspronkelijke ontwerp is er al veel veranderd, want ontwerpen op papier is – zelfs voor Rem Koolhaas – moeilijk. Het pakt altijd anders uit. Normaal niet zo erg, maar staal en beton verwijderen en opnieuw bouwen is verre van duurzaam. Dat is wel wat architecten ons vaak voorspiegelen. Dat neemt niet weg dat het plan van dit stadsdeel bijzonder is. Er zit naar de zuidzijde een verhoging in, waardoor de straten oplopen. Daaronder ligt een gigantisch gangenstelsel met ruimtes voor de bevoorrading van winkels en afvoer van vuilnis. Op de satellietfoto van Google kun je zien dat er verschillende lagen zijn: parkeren doe je onder het niveau van de winkelstraten en boven op het dak (bijvoorbeeld van de Citadel) liggen tuinen die bereikt kunnen worden vanuit de daar geplaatste woningen.

Opvallend is ook dat er vrijwel nergens auto’s rijden. Bijna overal zijn de straten het domein van voetgangers en fietsers. En de hele zaak wordt bijzonder goed schoongehouden, ik zag geen vuil op straat en veel schoonmakers. In de winkelstraten staan overal bloembakken, er zijn veel parken met kleurrijke bloeiende planten en ook de bevolking is kleurrijk. Almere heeft nu ruim 200.000 inwoners en zal binnen 20 jaar naar het dubbele aantal groeien. Ik werd meerdere keren onderweg aangesproken – gevolg van het lopen met een echt fototoestel – en iedereen was buitengewoon vriendelijk en geïnteresseerd in mijn bevindingen. De laatste was de Centrum-manager die mij vervolgens rondleidde in de catacomben van de Citadel.

Op mijn kaartje heb ik als Start het station Almere-Centrum aangegeven. Ik ben zelf eerst naar de VVV gelopen, omdat daar de architectuurwandeling begint. Het boekje (2,95 euro) is een aanrader, je komt heel wat te weten over de verschillende gebouwen. Een van de eerste is de schouwburg, prachtig gelegen aan het Weerwater. Het Weerwater is een uitgegraven plas, 60-70 meter diep; het zand is gebruikt voor de aanleg van de snelweg. Max Pam meent te moeten klagen over de daar gelegen Esplanade: ‘een geasfalteerde kartbaan waarop het verboden is te karten’ en ‘een Apollohotel met ramen zo klein als schietgaten’. Maar kijk eens naar mijn foto’s: het is daar prachtig! Tussen het hotel en de schouwburg liggen de appartementsgebouwen ‘Side by side’ broederlijk aan het water. Het uitzicht lijkt me groots. Daarna loop je langs ‘The Wave’ en ga je over de brug naast de binnenhaven. Aan de Olstgracht is het oudhollands rustig wonen vlak naast het centrum.

De weg vinden in Almere is meestal makkelijk, soms lastig. Er zijn veel duidelijke wegwijzers, en ook de straatnamen staan vaak aangegeven op bordjes. Maar ten noorden van het station is de loop van de straten vreemd. Waarom ligt de W. Dreesstraat pal in het verlengde van de P.J. Oudstraat, terwijl beide straten om de hoek doorlopen? Daar ligt het hoogste gebouw van Flevoland, de Carlton toren met veel rode verticale lijnen, midden in het bloemrijke P.J. Oudpark. Even verder is het Mandelapark met mooie vijvers; het is het dak van een parkeergarage, maar auto’s zie je er niet. Ga je iets verder de wijk in, dan liggen daar het veelkleurige UWV-gebouw en belastingkantoor. De kleuren tonen telkens anders, afhankelijk van je standpunt. In de J.G. Suurhoffstraat (wie kent nog deze voormalige PvdA-minister?) liep ik door een openstaand hek. Daar lag een besloten binnentuin, heel veilig voor kinderen. Op het fietspad passeerde een kleurrijk echtpaar, ingeburgerd gezien hun wijze van vervoer. Zouden ze weten dat hier zestig jaar geleden nog schepen voeren? Nu wonen er 160 verschillende nationaliteiten. In een bouwkundig hoogtepunt!

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Een reactie plaatsen

Nijmegen rukt op met de Waalsprong

In 1935 stak Arnhem de Rijn over en ontstond op de oorspronkelijke stadswaarden een kleine woonwijk: Arnhem-Zuid. Maar Arnhem wilde meer en mocht niet groeien aan de noordkant, dat was Veluwe en dus natuurschoon. In het zuiden lag landbouwgrond en dat kon wel worden gemist. En dus kreeg Arnhem er in 1966 en 1974 grote stukken bij van Elst en later van Heteren. Zo ontstond de dubbelstad: ten zuiden van de Rijn werden in vijftig jaar net zoveel huizen gebouwd als in alle eeuwen daarvoor in Arnhem-Noord. Dat kunstje wilde Nijmegen wel nadoen, want Nijmegen was altijd groter dan Arnhem. In 1997/98 kreeg Nijmegen grond ten noorden van de Waal: Lent, Ressen en Oosterhout werden Nijmegen-Noord. En hoewel Elst veel grond was kwijtgeraakt, begon die gemeente ook als een razende te bouwen op het overgebleven deel. Huissen was daar al eerder mee begonnen. Met als gevolg dat de Over-Betuwe nu heel snel volgebouwd wordt.

En dus ging ik daar eens kijken bij die Waalsprong. Ik begon bij Ressen, een idyllisch dorpje, maar bij velen alleen bekend als knooppunt van snelwegen. Daar werd eerst een megabioscoop gebouwd, midden in het weiland. Met een grote parkeerplaats, waar je kon overstappen op de bus naar Nijmegen. Die megabioscoop ligt nog steeds ver van de stad, maar de stad rukt op, en het eerste weiland voorbij die bioscoop wordt nu ontwikkeld tot stadsgrond. Er ligt daar nog steeds een boerderij en ook het Rijn-Waal-fietspad loopt daar langs Ressen, maar het is duidelijk: hier komen huizen. In de verte draaien de windmolens en er komt ook nog een groot veld met zonnepanelen. Het landschap gaat eraan, maar kan dat iemand wat schelen? We moeten tenslotte wonen – een miljoen huizen erbij? De wijk die er al ligt heet Lentse Plas. Daar is het zand gewonnen voor de eerste uitbreiding van Lent als Nijmegen-Noord.

Aan de Plas worden drijvende huizen gebouwd. De makelaars melden dat ‘wonen op het water een gevoel van vrijheid en natuurbeleving geeft’. Volgens hen ‘voelt elke dag hier als een vakantiedag!’ Dat was niet mijn gevoel toen ik er rondliep: regen. Volgens De Gelderlander hebben de omwonenden nog bezwaar gemaakt tegen die drijvende huizen, maar de Raad van State wees dat af. Op de hoek van de plas staat een woordspeling: Lent-Mark; ik hoopte er wat te kunnen eten, maar nee, Coronatijd. Dan maar naar het oude dorp door het Notenlaantje: een herinnering aan het landschap dat hier was. Ook leuk: natuurspeeltuin ‘De Vieze Broek’ aan de John Lennonstraat, dichtbij basisschool ‘Het Talent’. Ik eindigde dit stuk van mijn wandeling op de Vrouwe Udasingel. Kleine huizen, geen voortuinen, maar toch een mooi gemeenteperk en kleurige voordeuren. De website Huis van de Nijmeegse geschiedenis geeft informatie over Vrouwe Uda. 

Na mijn lunch in het oude dorp ging ik naar de andere kant van de snelweg. Ik begon bij de waterplas aan de Griftdijk. Aan de oostkant van de dijk ligt de wijk Ressen, aan de westkant Oosterhout. Over de Terralaan (Oosterhout) liep ik naar de Weefgewichtstraat – wie verzint hier de straatnamen? – en kwam uit bij een mooi park langs de Annabellastraat. Veel water in deze buurt en ik moet zeggen mooi wonen. Bijzonder vind ik het waterbeheer: van de daken gaat het water door de regenpijp en een open gootje over de stoep naar de wadi in de straat. Buisriolering is er niet, alle wadi’s lozen rechtstreeks op de sloten. Het geeft ruimte en groen in de straten. Nadat ik de Griftdijk weer had overgestoken, kwam ik in de schrijversbuurt van de wijk Ressen (niet het dorp). Simon Carmiggelt – goed dat hij een straat heeft – laat zien hoe de stad het platteland overneemt. De noordgrens van Nijmegen is dit nog niet, want nog noordelijker bouwen ze het Zuiderveld. (Zijn ze hier in de war?) Ik nam Hella Haasse naar het zuiden, met dichtregels op de huizen. Zoals Garcia Lorca: ‘In het prille ochtendlicht zal ik de bloemen zien ontluiken’. Over een heuse Brink liep ik naar de Grote Boel, de naam van een verdwenen boerderij. Het boerenland is weg – jammer! – maar dit is fraai ontworpen.

Langs de Grote Boel liggen een paar hofjes. Ze lijken op de ouden-van-dagenhofjes van vroeger, maar zijn modern vormgegeven. Bij de Roald Dahlhof was een grote steen ingemetseld als herinnering aan de Grift, de eerste trekvaart in Nederland, aangelegd in 1604 tussen Arnhem en Nijmegen. Vergelijkbaar met het Rijn-Waal fietspad nu: toen deed je drie uur over de reis per trekschuit van Arnhem naar Nijmegen. Nu zoeven bejaarden met elektrische fietsen binnen een uur van de Rijn naar de Waal. Bij de Astrid Lindgrenhof hebben ze een landelijke sfeer geschapen met een waterput in een boerderij-achtige setting. En restaurant Brass bij de Louis Paul Boonstraat is vormgegeven als een moderne boerenschuur. Na de Grote Boel ben ik terug bij de waterplas waar ik dit stuk begon. Hier liggen nog enkele boerenhuisjes. Het contrast met de nieuwe stad is groot, maar ik heb er toch van genoten.

Geplaatst in Kijken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Fietsen in de iets te groene Achterhoek

Landschap bij Eibergen

Fietsen in de Achterhoek is nog steeds een plezier. Ik zeg: nog steeds, omdat ook daar veel is verloren gegaan door bedrijfsterreinen, wegen en de grootschalige landbouw. Maar laten we eerst kijken naar het moois dat er nog wel is. Dat zijn veel zandpaden met door paaltjes afgescheiden fietsstroken, mooie bolle akkers (essen) en oude eikenlanen. En verder heel veel vriendelijke mensen die altijd groeten en op elkaar betrokken zijn, zoals bleek uit enkele voorbeelden onderweg. Wij maakten dus een mooie tocht van Eibergen, over Haarlo en Groenlo, en langs de Nederlands-Duitse grens terug naar Eibergen. Nog net geen 40 kilometer, dus goed te doen. Ik heb het kaartje met de fietsroutepunten bijgevoegd, zodat u het kunt nafietsen. Het start- en eindpunt ligt in Eibergen, op de hoek van de Lariksweg en de Beltrumseweg (dat is midden tussen de knooppunten 65 en 64). Daar kun je ook makkelijk je auto kwijt. Je fietst daar vandaan over de Beltrumseweg naar knooppunt 64.

Ondanks al het mooie onderweg wil ik toch wat negatieve punten kwijt. Het is hier zeker niet verstedelijkt, maar je gaat wel twee keer de N18 over: eerst bij Eibergen en daarna bij Groenlo. Die weg is heel druk, hij loopt van Oud-Dijk aan de A12 naar Enschede en zal dus wel een keer verdubbeld moeten worden. En dat betekent dat er ook meer industrie zal komen, kijk maar wat er bij Groenlo al naast de weg ligt. Ik ben zelf ook met de auto hier naartoe gereden, maar de vraag is toch: stopt dit nog ooit? Steeds drukker geeft meer wegen, en meer wegen geeft nieuwe drukte. En dus nieuwe bedrijfshallen, waar vrachtverkeer heen moet met grote containers die zojuist door het even versperde Suezkanaal zijn aangekomen. Ja, dat vervoer per schip is heel goedkoop en het belast het milieu ook niet zoals vrachtwagens dat wel doen, maar al die spullen in die containers moeten toch wel een keer ergens afgeleverd worden. Zullen wij ooit tevreden zijn met wat we hebben? Moeten we ons landschap volledig opofferen aan onze materiële behoefte?

En dan de landbouw. Overal gras. Dat was vroeger anders. Toen was er hier en daar een weiland met koeien. Die stonden ’s winters binnen en gingen ’s zomers naar buiten. Nu staan ze permanent binnen. De stallen zijn hier nog niet eens zo extreem groot, maar je ziet toch dat het fabrieken zijn van rundvlees. Die beesten worden gevoed met gras dat overal aanwezig is en met mais dat verbouwd wordt op de grond die niet voor gras bestemd is. Monocultuur dus. En verder met sojakoeken die uit Zuid-Amerika worden geïmporteerd. Koeien geven rundvlees, maar ze moeten net als wijzelf, ook leven. Dus voor 1 kilo rundvlees is 7 kilo voer nodig. Het verschil laten ze vallen als mest, vooral stikstof. En die wordt weer over het land verspreid. Dus eigenlijk verspreiden wij de voedingsstoffen vanuit Zuid-Amerika over onze grond. Daar wordt het hier niet vruchtbaarder van; integendeel, het is net als met te veel eten: er ontstaat indigestie en voedselvergiftiging.

Je ziet het aan het gras: helemaal groen, geen sprietje onkruid ertussen. Met onkruid bedoel ik andere planten en kruiden. Kijk eens naar de bloemenweiden in Zwitserland. Geweldig! Wat een kleuren en geuren. En die proef je in de producten van het land. Maar hier zijn de weiden egale groene vlaktes. Aan de rand bij de sloot ontwaarde ik nog een klein strookje met kleur en dat was het. Ik zag een bord, dat vol trots meldde dat er groene effectieve bodemverbeteraar gebruikt wordt. Inderdaad was het daar heel groen, maar ook heel saai

Nu wil ik niet de boeren de schuld geven van deze toestand. Ze werden gestimuleerd om het zo te doen door de consulenten van het Ministerie van Landbouw en die waren opgeleid in Wageningen. Dat alles gebeurde onder invloed van de geest van de tijd. Ruilverkavelingen, mechanisering, schaalvergroting, het was allemaal nodig om tegen de concurrentie op te kunnen. En wij wilden zelf ook ons lapje vlees. Dus we hebben het met ons allen gedaan en het gaat niet aan om nu alleen de boeren op te zadelen met halvering van de veestapel en zoek het verder uit. Maar ondertussen zijn geluiden als van de Partij voor de Dieren wel nuttig, want die zetten ons aan het denken. Ieder jaar worden, volgens hun, in Nederland 640 miljoen dieren gedood. Voor iedere Nederlander 35 dieren. En dat elk jaar! Het is niet gewoon veel, nee het is verschrikkelijk veel. En de stront van die honderden miljoenen beesten blijft hier achter. Dat is dus onze stikstofcrisis.

Ik zie eigenlijk maar één oplossing: stop met de overmatige consumptie, en laten we tevreden zijn met wat we hebben. Ga fietsen en geniet van het landschap. Stop met de aankoop van nieuwe badkamers, stroom vretende jacuzzi’s en te snelle (elektrische) auto’s van 2000 kilo. Doorgroeien zal uiteindelijk onze ondergang worden.

Lia 25 jaar: de buurt viert feest.
Geplaatst in Fietsen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Hoogwater

Altijd weer boeiend om te zien hoe iedereen reageert op hoogwater in onze rivieren. De mensen gaan massaal naar buiten om ervan te genieten. Ik ook. Maar ik kijk er toch een beetje anders tegenaan, omdat het mijn vak is. Veel mensen denken dat het al bijna net zo hoog was als in 1995. En dan zeggen ze dat het toch een goed idee was dat die rivieren verruimd zijn, zoals bijvoorbeeld bij Nijmegen. Daar ligt nu de Spiegelwaal, waardoor de waterspiegel bij de allerhoogste standen ongeveer 30 cm is verlaagd. Maar die hoogste stand treedt maar heel zelden op, ongeveer eenmaal per duizend jaar. En dat is nu nog niet het geval, het is echt stukken minder. De afvoer van de Rijn bij Lobith is nu ongeveer 7000 kubieke meter per seconde, dat is minder dan de helft van de afvoer die de rivier aankan. Een journalist schrijft in een ingezonden artikel in De Volkskrant (5/2/2021) dat ‘het waterpeil van de hoofdkraan van Nederland rijst tot de kolossale hoogte van 15 meter boven NAP! Zo hoog komt het zelden. [..] Klimaatverandering en de hogere temperatuur bevorderen de kans op extreme regenval en dito hoogwater.’

Niet alleen journalisten wakkeren de klimaatpaniek aan. Dat gebeurt ook door Rijkswaterstaat zelf. Lees de rapporten over Ruimte voor de rivier van enkele jaren geleden. Daarin schreef Rijkswaterstaat letterlijk: ‘De komende jaren krijgt de Rijn steeds meer water te verwerken.’ Dat was in 1999, nu 22 jaar geleden. De commissie-Veerman liet in 2007 onderzoek doen door internationale klimaatexperts. Die schreven: ‘Piekafvoeren die wij op dit moment als bijzonder hoog beschouwen, worden normaal.’ En ook nu nog hoor ik het bij iedere waterstand die een beetje hoger is opnieuw: door klimaatverandering krijgen we extremere waterstanden. Maar in het verleden hebben we toch ook hoge waterstanden gehad. De meeste mensen hebben 1926 niet meegemaakt, maar toen vloeide er meer water door de Rijn dan in 1995.

Om nog even bij de journalist van hierboven te blijven: een afvoer van 7000 kubieke meter per seconde is in de laatste 120 jaar 41 keer voorgekomen, dus zeg gemiddeld eenmaal per drie jaar. En de waterstand bereikt ook niet ‘de kolossale hoogte van 15 meter boven NAP’. Het blijft bij 14,50 meter, dat lijkt niet veel minder maar dat is het wel. Want de rivier voert met iedere 30 centimeter verhoging maar liefst duizend kubieke meter meer af. Dat komt niet doordat de rivier dan zoveel breder wordt, maar vooral doordat het water dicht bij het oppervlak veel harder stroomt dan in het onderste deel. Als de rivier dus nu een peil van 14,50 meter bereikt bij Lobith, dan zal hij bij 17,0 meter dubbel zoveel afvoeren als nu. En ik kan u verzekeren dat we nog nooit een afvoer hebben gehad van 14.000 kubieke meter per seconde. Het is dus allemaal heel normaal wat we meemaken en er is niets verontrustends aan.

Dus geniet u vooral van dat hoge water, want het is prachtig. Bij Nijmegen was het druk; dat zal ook wel het gevolg zijn geweest van de coronamaatregelen. Niemand mag de kroeg of de bioscoop in, zelfs mag je niet meer op bezoek bij je ouders of kinderen. Dan maar naar de dijk! Vroeger kwamen hier alleen mannen voor dijkbewaking, nu is het een sensatie voor iedereen. Op die manier heeft die dure Spiegelwaal in Nijmegen toch nog een functie! Kijk eens naar de kanoërs die lekker kunnen surfen op die watersprong bij de inlaat. Want voor de klimaatverandering was dit echt niet nodig geweest! Er is helemaal niets dat erop wijst dat de rivieren meer water te verwerken krijgen. Let wel: ik zeg niet dat er geen klimaatverandering is. Maar daar zullen we vermoedelijk op heel andere manieren last van krijgen. Zoals extreme hitte in Afrika. En minder extreem, maar ook wel degelijk voelbaar, hier. Dus fijn als je dan in de zomer toch nog kan zwemmen. Waar die Spiegelwaal allemaal niet goed voor is!

Geplaatst in Kijken, Nadenken | Tags: | Een reactie plaatsen

Verloren landschap

Corridor Betuweroute/A15 tussen Elst en Oosterhout

Hoe snel verdwijnt het landschap dat wij kennen? Eeuwenlang bleef de Betuwe hetzelfde, de omgeving veranderde alleen op kleine schaal. Gelegen tussen de rivieren Rijn en Waal, lagen hier komgronden met zware klei en slechte ontwatering. Eens in de zoveel jaar was er een overstroming. De komst van de Betuwespoorlijn, van Dordrecht naar Elst, in 1886, bracht de eerste verandering. Toen kwam er een snelweg, de A15. Die werd bijna honderd jaar later, in 1980, opengesteld. In 1996 werd het besluit genomen tot aanleg van een goederenspoorlijn: de Betuweroute, een kwart eeuw na de snelweg in gebruik genomen (2007). En nu zijn we de helft van een kwart eeuw verder en ligt er een kolossaal bedrijventerrein langs die A15, bij Oosterhout, waar twee eeuwen terug de dijk nog doorbrak. Het landschap van zelfs minder dan dertig jaar geleden is ter ziele. Enorme hallen langs de snelweg, en sinds kort ook windmolens tussen Oosterhout en Elst. Wat gebeurt hier? 

In de eerste plaats moet je weten dat Lent en Oosterhout nu deel zijn van Nijmegen. En dus is de noordelijke oever van de Waal in een recordtempo volgebouwd met huizen, scholen, winkelcentra en een hotel. Lent was vroeger bekend om zijn potgrond, maar die grond is nu verdwenen onder de gebouwen. Daarna kwam er een bedrijventerrein, De Rietgraaf, langs de vroegere Griftdijk. En nu, sinds enkele jaren, het vervolg: Park15, direct aan de snelweg. Op hun website lezen we: Park15 is het toonbeeld van een nieuwe generatie duurzame bedrijvenparken in Nederland: tijdloos en met behoud van waarde op lange termijn. Kwalitatief hoogwaardig, groen en toekomstbestendig. Nederland wordt volgebouwd met grote hallen en dozen, vooral langs de snelwegen. We zijn bezig met het redden van een paar snippers natuur, met het introduceren van de wolf en met het behoud van enkele postzegels bloemrijk grasland. Overal lees je hoe de overheid de natuur wil herstellen en ecologische zones maken, maar zelden hoor je iets over het landschap.

Wat is of wordt er zoal gebouwd op Park15? Dat zijn hele grote hallen voor voedseldistributie. In de grootste zitten Lidl, Heinz en Albert Heijn. Wat wij eten wordt daarvandaan verspreid naar de winkels. Of naar de digitaal bestellende klanten, zoals bij Albert Heijn; zij verzorgen vanuit deze vestiging 40.000 bestellingen per week, zeg 7000 op een dag. Met zo’n elektrisch wagentje – dat is goed voor het milieu. Verder zit er natuurlijk een benzinestation – heel goedkoop, dus dat wordt weer omrijden voor velen – en natuurlijk een McDonalds. Wat is de lol van eten in de auto? Zelfs voor een kroket hoef je er straks niet meer uit, want ook Febo-drive is hier gevestigd. Daarnaast staat een heuse pindakaasfabriek: Supperfood met een gebouw van 3000 vierkante meter. Een heel normaal gebouw, maar qua oppervlak een minkukeltje, want de hal van Lidl meet 54.000 vierkante meter. Alles is hier groot, groter of grootst, want Heinz – die zit in de hal van Nabuurs supply chain solutions – bezet 75.000 vierkante meter. Dat zijn tien voetbalvelden. Met sauzen, dressings en tomatenketchup!

Moet het landschap van de Betuwe eigenlijk worden gespaard? Ergens moet je toch die bedrijven neerzetten en kun je het dan niet het beste daar doen? Midden op de Veluwe is al helemaal geen goed idee, dus dan maar weilanden en boomgaarden volplempen. En zo slecht wordt het helemaal niet uitgevoerd. Kijk naar de foto’s: mooie rechte lijnen, keurige sloten, er zijn zelfs voetpaden en er is een bankje waarop je kunt genieten van het nieuwe landschap. Volgens de kunsthistoricus Henk van Os hebben wij geleerd hoe mooi ons land is, door de schilderijen van onze zeventiende-eeuwse meesters. Is het dan mogelijk dat we op den duur een bedrijvenparklandschap ook mooi zullen vinden? Bijvoorbeeld door er veel mooie foto’s van te maken? Het lijkt me een illusie. Daarvoor is deze ingreep te groot. En het gebeurt ook te snel. Landschap moet wennen en dit gebied gaat voortdurend op de schop.

Zou minder supply chain solutions een oplossing kunnen zijn? Geen grote hallen meer, minder distributie, minder heen en weerkarren met elektrische of andere voertuigjes? Ik vrees dat het niet gaat gebeuren. De mens streeft helaas altijd naar persoonlijk gewin. Efficiency staat voorop. Als wij ervoor kiezen alles een beetje kalmer aan te doen, dan prijzen wij ons uit de markt. Dat is het leidende principe, en daaraan offeren wij ons landschap op. En dus hebben we straks alleen nog schilderijen die ons vertellen hoe mooi het was. Wat we toen niet zagen!

Even genieten van de omgeving

Lezen: Willem van Toorn, Het grote landschapsboek (2011)

Geplaatst in Kijken, Nadenken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Hengelo, Stork en Tuindorp ’t Lansink

Rond 1850 was Nederland ver achter met industrie. België, na Engeland het meest geïndustrialiseerde land van Europa, had zich in 1830 afgescheiden van Nederland. Koning Willem I gaf de Nederlandsche Handel-Maatschappij daarna opdracht om in Twente een moderne textielindustrie op te zetten. Dat gebeurde met hulp van de Engelsman Thomas Ainsworth, die in 1833 in Goor een weefschool was begonnen. Zo begon Charles Stork met kapitaal van zijn vader een weverij in Borne. Daarna stichtte hij met zijn broer een machinefabriekje dat in 1868 naar Hengelo verhuisde onder de naam Gebr. Stork & Co. De zaken liepen goed en Stork mocht steeds meer (stoom)machines leveren. Niet alleen aan de Twentse textielindustrie, maar ook aan de scheepsbouw en aan suikerraffinaderijen op Java. Opvallend voor die tijd: Stork was een sociaal ondernemer. ‘Nuttig te zijn is het hoofddoel! Dat is de navolging van het voorbeeld van Christus.’ Hij zorgde voor scholing, richtte een pensioenfonds op en kocht grond om woningen voor zijn personeel te bouwen.

In 1867 richtte hij de ‘Hengelosche Bouwvereeniging’ op. Die kocht de naast zijn fabriek gelegen boerderij ’t Lansink met het bijbehorende land. Daar startte in 1911 de bouw van Tuindorp ’t Lansink. Hier zouden arbeiders, beambten en leidinggevenden door en naast elkaar gaan wonen. De Amsterdamse architect Karel Muller werd de ontwerper van het plan en van veel woningen. Werknemers van Stork (en de andere partijen die meededen) waren niet verplicht er te gaan wonen, maar ze hadden wel voorrang bij de toewijzing. Het eerste deel kwam klaar in 1915. Het geheel is nu dus zo’n honderd jaren oud. In 2003 werd een gebied van 45 hectare aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het is nadrukkelijk gebouwd als een dorp en nog steeds heeft het de gemoedelijkheid daarvan. Wij wandelden er in december 2020, het weer was niet geweldig, maar we zagen hoe mooi het is.

Onze wandeling was 4,5 km lang en begon bij het station. Hengelo is in de oorlog zwaar gebombardeerd door de geallieerden, mede door zijn belang als industriestad. Het station is typisch wederopbouw, maar de vooroorlogse perronoverkapping is nog aanwezig. Wij begonnen aan de noordelijke uitgang en als je wilt kan je dan even naar de Markt lopen. Mooi is die niet met die lelijke Brink-toren. Aardig wordt het in de dichtersbuurt. Op de splitsing van de Jacob Catsstraat en de Vondelstraat ligt de voormalige bibliotheek, mede door Stork opgericht. Het was de eerste bibliotheek in Nederland, waar je zelf je boeken mocht uitzoeken. Voor die tijd kreeg je aangereikt wat geacht werd geschikt te zijn voor jou. Tussen de spoorlijnen passeer je de voormalige fabriek van Hazemeijer, waar vanaf juli 2021 het Techniekmuseum gevestigd zal zijn. Nu zit dat nog in de vm. Wilhelminaschool, waarover straks meer. Na het tweede spoorviaduct kom je op de Julianalaan die overgaat in de Lansinkweg van het Tuindorp.

Op het CT Storkplein ligt het hotel ‘Tuindorp ’t Lansink’. Wij logeerden hier een nacht en konden er (coronatijd!) ook eten. Het heeft een Michelinster en ik kan het van harte aanbevelen. Aardig personeel en een voortreffelijke keuken! Het is gebouwd als ‘ontspanningsgebouw en bewaarschool’ naar ontwerp van Karel Muller in 1916. Toen nog met één verdieping, zoals de bouwtekening laat zien. Op het plein staat een borstbeeld van Coen Stork, een van de drie zonen van Charles. Hij was de grondlegger van de wijk, maar zijn oudere broer Dirk was directievoorzitter. Vanuit de CT Storkstraat loop je naar de grote vijver, uitgegraven om zand te winnen voor de ophoging van het laaggelegen terrein. Sinds 1923 ligt hier het Tuindorpbad, aangelegd omdat men zomaar vrij ging zwemmen. Gemengd welteverstaan! Dat moest worden gereguleerd en dus kwamen er kleedhokjes.

Onderweg zie je afwisselend grote en kleine huizen. Maar werkte dat met al die verschillende standen door elkaar? Officieel wel, maar in de praktijk toch niet helemaal. In het Gedenkboek van Stork uit 1922 staat dat men ‘aan de bezwaren verbonden aan het samenwonen van verschillende maatschappelijke kringen’ tegemoet was gekomen door een geringe bouwdichtheid (niet meer dan 30 woningen per hectare) en door ‘een doelmatige beplanting, die, waar het nodig is, voor behoorlijke afscheiding zorgt’. Inderdaad is de wijk zeer groen en het aantal huizen gering. Kijk je op de ontwerptekeningen uit die tijd, dan sta je er verbaasd van, dat sommige huizen dubbel zijn, terwijl ze de indruk geven van enkele bewoning. Na de vijver kom je langs de speeltuin. Het speeltuig werd gemaakt door personeel van Stork.

Voorbij de Willem de Clercqstraat kom je bij de school van het ROC Twente. Heel toepasselijk is die gevestigd in de voormalige gieterij van Stork. Je mag daar binnenkijken en dat is zeker aan te raden. Zo zag onze zware industrie eruit! Ga je weer naar buiten dan zie je moderne fabrieken aan de Industriestraat. Hier staat ook de vm. Wilhelminaschool, waar (nu nog) het Techniekmuseum Oyfo is gevestigd. De school werd gesticht door Stork om zijn werknemers te leren tekenen en ontwerpen. Zowel gebouw als inhoud zijn de moeite van waard. Dat er ondanks de scholing wel eens wat misging bij Stork, blijkt uit de aanwezigheid van de brandweerkazerne dichtbij. Stork was wel sociaal, maar zijn werknemers goten kokende metaallegeringen in mallen, zonder enige bescherming. Anders werd het te duur. Het was al heel wat dat ze, in 1897, bij de verkoop van de duizendste stoommachine jaarlijks drie vakantiedagen kregen. En een Bijzonder Steunfonds voor onvoorziene privékosten. Nog maar 125 jaar geleden – het begin van onze welvaartsstaat!

Gebruikte literatuur: (1) Wim Wennekes, De aartsvaders. (2) Stork, 125 jaar industriële dynamiek 1868 -1988. (3) G. Feenstra, Tuinsteden. (4) Website Tuindorp ’t Lansink waarop men ook originele bouwtekeningen kan inzien.

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Station Driebergen-Zeist

De spoorlijn van Amsterdam naar Arnhem – de eerste grote lijn in ons land – kwam in 1845 gereed. Utrecht werd bereikt in 1843, Driebergen in 1844. Er was toen alleen nog een voorlopig stationnetje, het echte station kwam er in 1864, een fors gebouw met een flinke overkapping en een overdekte loopbrug naar het tegenoverliggende perron. Net voor het station kruisten de straatweg en de spoorweg. Bijna honderd jaar later, in 1962 kwam er een nieuw station, kaal en glad, met een strakke klokkentoren als markering aan de weg. Aan weerszijden van de sporen lagen twee perrons, verbonden door een benauwd ondergronds tunneltje. Maar de straatweg werd drukker en ook het spoorverkeer nam toe, dus de overwegbomen waren meer dicht dan open. Er moest dus iets gebeuren en dat was niet klein: een ongelijkvloerse kruising en meer sporen voor de trein. Dat betekende ook een nieuw station, het werd recent geopend.

De spoorlijn is op maaiveldpeil gebleven en het station en de weg zijn omlaag gebracht. De stations accommodatie ligt nu op min één onder de sporen. Daarbij is gekozen voor flauwe hellingen en dus een brede kuil, waardoor het allemaal heel mooi past in het landschap. Voetgangers en fietsers kunnen de hellingen heel gemakkelijk nemen. De brede trap voor voetgangers en de flauwe helling voor fietsers daarnaast, zijn eerder uitnodigend dan onneembaar. De stations accommodatie bestaat uit twee delen aan weerskanten van de onderdoorgang: aan de westkant ligt een inpandige, ondergrondse stalling voor 3000 fietsen, aan de oostkant de stationshuiskamer en enkele winkels. Via een gewone steile trap kom je dan op het perron. Dat is een eiland geworden tussen de twee spoorrichtingen. De treinen die niet stoppen gaan daarbuitenom en razen dus niet meer vlak langs het perron. Dat is niet gedaan om de passagiers te beschermen, maar om de capaciteit van de baan te vergroten.

De weg van Driebergen naar Zeist is verbreed en gaat nu onder het spoor door. Ook hier zijn de hellingen flauw, met de fietspaden wat hoger dan de weg, waardoor het allemaal heel harmonieus is. De grondkerende muren zijn bekleed met mooie natuursteen en overal is groen en zijn bomen geplant. Over de weg ligt een voetgangersbrug, vernoemd naar de (kort voor de oplevering verongelukte) landschapsarchitect van het project, Kees Neven. De brug verbindt twee landgoederen: westelijk van de weg de Reehorst, oostelijk Bornia. Noord van de spoorlijn ligt een nieuw busstation, aan de andere kant is een grote parkeergarage gebouwd voor 600 auto’s. De lattenbekleding geeft de garage een natuurlijke uitstraling.

Er zijn naast het station nog meer mooie combinaties van landschap en architectuur te zien. Ik wandelde over de Reehorst en volgde de wegwijzers naar de Triodosbank en de Villa. Verscholen in het bos en aan de rand van een ruim grasveld doemde daar een luchtig gebouw op met ronde, omhoog spiralende vormen, het dak deels bekleed met mossen en planten: de Triodosbank. Zij willen werken aan een duurzame samenleving en daarbij transparant zijn. Welnu, dat wás hun gebouw. Zo was goed te zien dat er vrijwel geen mensen in dat gebouw werkten. (Maar corona, dus geen normale tijden.) Aan de andere kant van het grasveld een waterloop met vijver en een betonnen brug. Die leidde naar de Villa, een heel ander soort kantoor dan gebruikelijk. Gelegen op een kleiner grasveld tussen de bomen. Even verder lag een oude landgoedboerderij, de Wederkerigheid, nu een zorgboerderij. Vervolgens liep ik naar de parkeerplaats van de Triodosbank. Die is deels overkapt met zonnepanelen op het dak; het lijkt of de stroom rechtstreeks de auto’s ingaat. Het landgoed ligt ook vlak naast de A12, dus men kan er gemakkelijk met de auto komen.

Nog even terug naar het station van weleer. Driebergen was beroemd om zijn koffie. Al voor de trein stopte werden de raampjes opengedraaid. De obers renden van voor naar achteren langs de trein, je liet je gulden vallen op hun ronde dienblad en ze schonken een kartonnen beker vol met bruine koffie – de melk zat er al in. De laatste bekers werden nog geschonken als de conducteur al had gefloten en vaak rende de ober nog mee met de zich in beweging zettende trein. Een andere herinnering aan het oude station is een plaquette uit 1962. Die werd toen aangeboden door de Algemene Bond van Forensen, opgericht in 1927. Driebergen en Zeist waren dus al vroeg forensenplaatsen voor Utrecht. Want reizen wilden de mensen. Het nieuwe station is een geweldige verbetering in de huidige situatie. Maar de vraag is toch of onze huidige situatie, met zoveel mensen en mobiliteit, nou echt zo duurzaam is.

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen

Terpentocht Noord- Friesland

Vakantie in eigen land – het is een van de gevolgen van het coronatijdperk. Wij logeerden een paar dagen in Foudgum, een paar kilometer noord van Dokkum. In een voormalige pastorie, waar Piet Paaltjens ooit predikant was. Foudgum heeft 80 inwoners en had dus vroeger een eigen predikant. Kerk en pastorie liggen op een terp en de rest van het dorp ligt op de flanken van die terp. Het is er idyllisch, maar voor sommige mensen zal het ’s winters toch iets te veel eenzaamheid zijn. Naar Dokkum kun je fietsen en dat is een heel aangenaam stadje, vooral als je bedenkt dat Bonifacius daar werd vermoord. Door Dokkum loopt de Dokkumer Ee, voorheen bekend van de Elfstedentocht. Dokkum was de hoofdstad van het kwartier Oostergo, dat aan de noordzijde wordt begrensd door de Waddenzee. Aan de westkant lag vroeger de Middelzee, een zeearm die nog voorbij Leeuwarden doorliep. Leeuwarden lag toen dus aan zee!

Vroeger was dit gebied onherbergzaam. Het water kwam van drie kanten: vanuit het noorden (de Waddenzee), vanuit het westen (de Middelzee) en vanuit het oosten door de Dokkumer Ee die uitmondde in de Lauwerszee. In het jaar 800 hadden eb en vloed in het hele gebied vrij spel. Toch woonden er al wel mensen en die wierpen heuvels op waar ze konden wonen. De kerken staan altijd op de hoogste punten, dat is in het rivierengebied ook zo, het waren schuilplaatsen voor slechte tijden. Na het jaar 1000 werd het gebied bedijkt en omstreeks 1200 was het dijkensysteem gesloten en kwam de zee er alleen nog in bij overstromingen. Maar ook dat gebeurde toch nog regelmatig, dus die terpen waren altijd praktisch. 

Interessant is hoe de Romeinen aankeken tegen deze uithoek van hun rijk. Plinius de Oudere (# 23 na Chr.) schreef er het volgende over:

De Oceaan stroomt er met een uitgestrekte vloed tweemaal per dag en per nacht over een groot gebied op het land, en bewerkt er een eeuwige verandering van de natuur, en twijfel wat land is of wat een deel van de zee. [..] Daar woont een ellendig volk op heuveltjes of plateaus boven het peil van de hoogste vloed, die zij met hun handen hebben gemaakt, waarop hun hutten staan. Zij gelijken op schepelingen wanneer het water alles om hen heen bedekt, maar op schipbreukelingen wanneer het zich terugtrekt en zij de vissen rondom hun hutten vangen, die met de zee willen vluchten. [..] Zij kunnen niet op jacht gaan, want nergens zijn struiken waarin het wild zich kan ophouden. De klei, die zij met hun handen oppakken, laten zij door de wind drogen. Hun spijzen en hun lichamen, door de noordenwind verstijfd, verwarmen zij met aarde. Hun enige drank is regenwater, dat zij opvangen bij de deur van hun huizen.

Dat gebied is nu heel wat aangenamer en je kunt er prachtig fietsen. Wij maakten een terpentocht (40 km) en kwamen langs onbekende dorpen. Natuurlijk is Holwerd bekend van de boot naar Ameland, maar niemand gaat ooit de plaats zelf bekijken. Het is de moeite waard! Net als Ferwerd, gebouwd op een ruime terp. In het terrein merk je het nauwelijks, alles lijkt vlak, maar kijk je op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, dan zie je (door vertrekking van de verticale schaal) hoeveel hoger deze dorpen liggen dan de omgeving. De hoogste terp is Hogebeintum met 9 meter boven NAP. Waarom die zo hoog gemaakt werd, is mij een raadsel. Misschien waren er toen ook al mensen die bang waren voor een nog verder rijzende zeespiegel.

Onze route ging langs de volgende knooppunten (met Ferwerd als startpunt): 34 – 2 – 76 – 18 – 28 – 27 – 29 – 79 – 78 – 26 – 19 – 20 – 22 – 21 – 17 – 77- 16 – 13 – (34). Het stuk van 2 – 28 is langs de Waddendijk met mooi uitzicht over de kwelders; in de verte zie je Ameland liggen. Toch is het een beetje saai. Gunstig bij westenwind, maar zwaar trappen met oostenwind. Maar denk dan als troost eens aan die Middeleeuwse mens die hier moest overleven. Geen elektrische fiets – zelfs geen gewone! – geen graafmachine om een terp te bouwen, geen verwarming in huis en geen café om koffie te drinken. Een schop was nog het beste gereedschap en een regenton om het water bij de deur op te vangen. Er is veel verbeterd in duizend jaar!

Brantgum
Geplaatst in Fietsen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Gelukkig wonen in Hilversum

Volgens de website Steengoed Hilversum is Hilversum de enige tuinstad van Nederland; overal elders zijn alleen tuindorpen gebouwd. Of dit waar is, weet ik niet, maar het was voor ons aanleiding eens naar Hilversum te gaan. Een wandeling in de bloemenbuurt leek mij wel wat. Nog zonder mondkapje – het is coronatijd – met de trein naar Hilversum Sportpark, en lopen maar. Eerst verkeerd, een beetje om, maar gaf niet want mooie huizen en gebouwen genoeg. Ik heb onze route op een kaartje uitgezet.

Bij de combinatie Hilversum en architectuur denk je al gauw aan Dudok. Ik wist dat hij het raadhuis van Hilversum had ontworpen, maar daar wilden we niet heen. Zo’n raadhuis is één gebouw en dat bekijk je dan en het zal zeker de moeite waard zijn, maar wij wilden in een buurt lopen: huizen en straten, groen en tuinen, scholen en kinderen. De scholen functioneerden gelukkig net weer op halve kracht. Dat Dudok zoveel heeft gebouwd in Hilversum, wisten we niet.

Dudok (1884 – 1974) was van origine geen architect; hij werd opgeleid als officier aan de KMA – genie, zeg maar vestingbouw. Militair ingenieur, de voorloper van mijn civiele vak. Daarna werkte hij aan forten in de Beemster. Op zijn dertigste werd hij aangesteld als directeur van Publieke Werken in Hilversum. Later werd hij, op eigen verzoek, benoemd tot stadsarchitect, meer in overeenstemming met zijn artistieke aanleg. Uit een beschrijving door zijn dochter begrijp ik dat hij de schrijver Bordewijk, ook geboren in 1884, waardeerde. Auto’s noemde hij knorrende beesten naar een van Bordewijks titels. Als ik naar zijn schoolgebouwen kijk, de Bavinckschool (1921) en de Oranjeschool (1922) meen ik Bint te zien. Maar dat is fantasie, want Bint was van 1934, en veel scholen uit die tijd hadden dat strenge geslotene.

Dudoks eerste opdracht in Hilversum was de bouw van arbeiderswoningen. Vol idealen werkte hij daaraan, schrijft zijn dochter: ‘De mensen moeten hier gelukkig wonen’. En het resultaat mocht er zijn: ‘Het werd een aardige, vrolijke buurt. Er werd waterleiding aangelegd en de bewoners kregen, o luxe, een echte wc.’ Geen douche of badkamer; daarvoor werd een badhuis gebouwd, eveneens naar ontwerp van Dudok. Ook heel gesloten, met aparte ingangen voor vrouwen en mannen. Vrouwen hadden toen sowieso al moeite met bloot onder een douche staan; hun bezoek was een fractie van het mannelijk gebruik.

Heel markant zijn die arbeidershuisjes. Toen kostten ze enkele duizenden guldens, nu gaan ze voor tonnen weg, in euro’s dus. Dudok was niet de enige die hier voor arbeiders bouwde. Veel architecten hadden hetzelfde ideaal: goede huisvesting bevordert het geluk. Maar dat hoefde niet persé samen te gaan met de bouw van tuinsteden. Lang niet alle arbeiders waren erop gesteld, om ook nog ’s avonds in een tuintje te werken. Een vrije zaterdag was er ook niet; het was al heel wat als je die middag naar het badhuis kon. Duur! 

Ik vind de bloemenbuurt ook niet typisch een tuindorp, zoals Vreewijk in Rotterdam dat wel is. Minder een gemeenschap, minder eenheid ook. Maar zeker kenmerkende en fraaie woningcomplexen. Aangenaam om te wandelen. Dat geldt ook voor de weg terug naar het station, door de Kastanjelaan, de Diependaalsedrift en het Laapersveld. Parken, vijvers en de bijbehorende pompgemalen, allemaal van Dudok. Een begenadigd ontwerper die anderen gelukkig wilde maken. Mooi nog na zoveel jaren.

Gebruikte websites:  Wikipediahttps://dudok.org/2020/05/12/dochter-mia-vertelt-over-het-alledaagse-leven-van-dudok/; https://www.dudokarchitectuurcentrum.nl/activiteit/bloemenbuurt-hilversum/

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Een echte Arnhemmer?

Hotel Zuid

In 1953 verhuisde ik, 7 jaar oud, met mijn ouders naar Arnhem. Althans dat dacht ik. Ik was er heel blij mee. Wij woonden in Gouda, in een polder, op het veen – slappe grond en dus slappe mensen dacht ik. In Arnhem zouden vast hele sterke jongens wonen en ik zou daar bij gaan horen. Maar dat viel tegen, want wij kwamen niet terecht in Arnhem, maar in Arnhem-Zuid: een polder over de brug. En zoals het raadslid J.J.W. IJsselmuiden in 1931 al zei: een Arnhemmer voelt niets voor een polder, die woont in bos en hei. Nu wonen er in Arnhem-Zuid bijna net zo veel mensen als in Noord, maar nog steeds is er dat onderscheid. Mooi wonen doe je in Arnhem, en dan bedoel ik echt Noord, ver van het centrum. Toch heeft ook Arnhem-Zuid wel duurdere wijken, maar daar behoort Malburgen, zoals de oorspronkelijke wijk ging heten, niet bij. Toen wij er kwamen, was de wijk sociaal gemengd: arbeiders en middenstand. Maar zoals het vaak gaat, migreerden de middenstanders op den duur naar andere wijken.

Malburgen is van de wederopbouw. De bouw begon in 1937 nadat de Rijnbrug gereed was gekomen. Toen de oorlog begon, stonden er 360 huizen. Tijdens de oorlog werd er doorgebouwd. Maar in 1944 werd het stadsdeel vernield tijdens en na Market Garden. ‘Zuid’ was het meest verwoeste deel van de stad, geen huis meer heel. Dat was niet te zien toen ik er kwam wonen. Die brug was er naar mijn idee altijd geweest, en dat er heel andere huizen hadden gestaan op de plek waar wij woonden, bedacht ik niet. Alle beschadigde huizen van Arnhem -Zuid waren in 1953 hersteld, de oorlog was lang geleden, zo voelden wij het toen. In 1964 – het jaar dat ik Arnhem verliet – was Malburgen volgebouwd en de wederopbouw voltooid.

Er kwamen Turkse en Marokkaanse gezinnen wonen en de gemeente vond onderhoud van straten en plantsoenen te duur. De wijk verpauperde. En toen kwam, in 2007, Ella Vogelaar. Arnhem kreeg vier naar haar genoemde wijken: Klarendal, Het Broek, Presikhaaf en Malburgen. In 2008 wandelde ik in Malburgen-West en een jaar later in Malburgen-Oost. Het opknappen was in volle gang, maar bewoners gooiden veel troep op straat en de gemeente ruimde het niet op. Op enkele plekken namen mensen zelf de bezem en de schoffel ter hand. Voorbeeldig! 

Recent maakte ik weer een wandeling door Malburgen. Ik begon op het De Monchyplein (halte lijnen 2 en 3) en stak de Nijmeegseweg over naar de Gelderse Rooslaan. Die heette vroeger Meinerswijkseweg, maar Gelderse Roos past beter in de bloemige naamgeving van Malburgen. Opvallend is de kleurstelling van de 16 flatblokken die daar in 1953 zijn gebouwd. Die was al aangepast bij mijn eerste wandeling, maar nu is die nog veel mooier geworden. Vroeger waren dit grauwe flats, nu lichten ze op. Ze spiegelen in het water, een van de sterke punten van Arnhem-Zuid.

Door de Dovenetellaan kwam ik bij de Meldestraat. In de plint van het op de hoek gelegen pand heeft de Arnhemse kunstenaar Arno Arts in 2010 een boekenwand verbeeld met de geschiedenis van Malburgen. Ik sta er zelf ook in met een foto door mijn vader genomen op de dijk, kijkend naar het hoge water van januari 1955. Toen was het echt hoog maar er was geen sprake van paniek. Na de boekenwand liep ik door de Meldestraat naar de Nijmeegseweg om die over te steken naar Malburgen-Oost. Daar begint de Zeegsingel en samen met de Meldestraat vormt die één lange lijn van water en groen. Het is de verbeelding van de polder die hier ooit was. Dit had Pieter Verhagen voor ogen toen hij Arnhem-Zuid ontwierp: een tuinstad in de polder, doorsneden door oude waterlopen. De Zeeg was een oude Rijntak, ooit de grens van Arnhem.

Op diverse plaatsen zag ik nieuwbouw gecombineerd met wederopbouw. Vrijwel alle oudere bebouwing is volgens de principes van de Delftse school. Dat betekent vooral eenvoud: de mens moest zijn plaats weten in de door God gegeven orde. Die orde is nu anders: in de Fluitekruidstraat staat de Turkse moskee naast de Kruiskerk. De Snoekstraat met nieuwbouw en de Visserslaan in Delftse schoolstijl vormen een mooi contrast, gescheiden door breed water. Op de rotonde vóór deze straten zwemmen vissen in de lucht. Ook de daarachter gelegen Zuringstraat en Kamillehof met buurtwinkels en speelplaats zijn typisch wederopbouw. Door de Graslaan teruglopend, zie je links fantasieloze (vissen)straten, rechts de Sint Margarethaschool: bordeauxrood in het groen. Daarna liep ik over de Groene Weide – helemaal volgens het idee van een tuinstad – naar de Huissensestraat.

Op de tegenoverliggende hoek stond vroeger de Sacramentskerk, in 2009 vervangen door het woonzorgcentrum Malburgstaete – waarom nou weer zo’n rare ae? – geopend door koningin Beatrix. Jammer dat die kerk is afgebroken, die was zó katholiek en zó jaren-vijftig. Bij het winkelcentrum De Drieslag viel mij het beeld Naakt meisje op tussen goed verpakte moslimvrouwen. Ik at een broodje bal bij Snackbar Jaap op het Suikerland en constateerde dat ze de gevels met de verkeerde steen hadden gerenoveerd. Dat was gelukkig beter bij Hotel Zuid. Hier begon Arnhem-Zuid en ook mijn wandeling. Ik kan hem alle Arnhemmers – ook de echte – aanbevelen. 

Geplaatst in Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen