Hoogwater

Altijd weer boeiend om te zien hoe iedereen reageert op hoogwater in onze rivieren. De mensen gaan massaal naar buiten om ervan te genieten. Ik ook. Maar ik kijk er toch een beetje anders tegenaan, omdat het mijn vak is. Veel mensen denken dat het al bijna net zo hoog was als in 1995. En dan zeggen ze dat het toch een goed idee was dat die rivieren verruimd zijn, zoals bijvoorbeeld bij Nijmegen. Daar ligt nu de Spiegelwaal, waardoor de waterspiegel bij de allerhoogste standen ongeveer 30 cm is verlaagd. Maar die hoogste stand treedt maar heel zelden op, ongeveer eenmaal per duizend jaar. En dat is nu nog niet het geval, het is echt stukken minder. De afvoer van de Rijn bij Lobith is nu ongeveer 7000 kubieke meter per seconde, dat is minder dan de helft van de afvoer die de rivier aankan. Een journalist schrijft in een ingezonden artikel in De Volkskrant (5/2/2021) dat ‘het waterpeil van de hoofdkraan van Nederland rijst tot de kolossale hoogte van 15 meter boven NAP! Zo hoog komt het zelden. [..] Klimaatverandering en de hogere temperatuur bevorderen de kans op extreme regenval en dito hoogwater.’

Niet alleen journalisten wakkeren de klimaatpaniek aan. Dat gebeurt ook door Rijkswaterstaat zelf. Lees de rapporten over Ruimte voor de rivier van enkele jaren geleden. Daarin schreef Rijkswaterstaat letterlijk: ‘De komende jaren krijgt de Rijn steeds meer water te verwerken.’ Dat was in 1999, nu 22 jaar geleden. De commissie-Veerman liet in 2007 onderzoek doen door internationale klimaatexperts. Die schreven: ‘Piekafvoeren die wij op dit moment als bijzonder hoog beschouwen, worden normaal.’ En ook nu nog hoor ik het bij iedere waterstand die een beetje hoger is opnieuw: door klimaatverandering krijgen we extremere waterstanden. Maar in het verleden hebben we toch ook hoge waterstanden gehad. De meeste mensen hebben 1926 niet meegemaakt, maar toen vloeide er meer water door de Rijn dan in 1995.

Om nog even bij de journalist van hierboven te blijven: een afvoer van 7000 kubieke meter per seconde is in de laatste 120 jaar 41 keer voorgekomen, dus zeg gemiddeld eenmaal per drie jaar. En de waterstand bereikt ook niet ‘de kolossale hoogte van 15 meter boven NAP’. Het blijft bij 14,50 meter, dat lijkt niet veel minder maar dat is het wel. Want de rivier voert met iedere 30 centimeter verhoging maar liefst duizend kubieke meter meer af. Dat komt niet doordat de rivier dan zoveel breder wordt, maar vooral doordat het water dicht bij het oppervlak veel harder stroomt dan in het onderste deel. Als de rivier dus nu een peil van 14,50 meter bereikt bij Lobith, dan zal hij bij 17,0 meter dubbel zoveel afvoeren als nu. En ik kan u verzekeren dat we nog nooit een afvoer hebben gehad van 14.000 kubieke meter per seconde. Het is dus allemaal heel normaal wat we meemaken en er is niets verontrustends aan.

Dus geniet u vooral van dat hoge water, want het is prachtig. Bij Nijmegen was het druk; dat zal ook wel het gevolg zijn geweest van de coronamaatregelen. Niemand mag de kroeg of de bioscoop in, zelfs mag je niet meer op bezoek bij je ouders of kinderen. Dan maar naar de dijk! Vroeger kwamen hier alleen mannen voor dijkbewaking, nu is het een sensatie voor iedereen. Op die manier heeft die dure Spiegelwaal in Nijmegen toch nog een functie! Kijk eens naar de kanoërs die lekker kunnen surfen op die watersprong bij de inlaat. Want voor de klimaatverandering was dit echt niet nodig geweest! Er is helemaal niets dat erop wijst dat de rivieren meer water te verwerken krijgen. Let wel: ik zeg niet dat er geen klimaatverandering is. Maar daar zullen we vermoedelijk op heel andere manieren last van krijgen. Zoals extreme hitte in Afrika. En minder extreem, maar ook wel degelijk voelbaar, hier. Dus fijn als je dan in de zomer toch nog kan zwemmen. Waar die Spiegelwaal allemaal niet goed voor is!

Geplaatst in Kijken, Nadenken | Tags: | Een reactie plaatsen

Verloren landschap

Corridor Betuweroute/A15 tussen Elst en Oosterhout

Hoe snel verdwijnt het landschap dat wij kennen? Eeuwenlang bleef de Betuwe hetzelfde, de omgeving veranderde alleen op kleine schaal. Gelegen tussen de rivieren Rijn en Waal, lagen hier komgronden met zware klei en slechte ontwatering. Eens in de zoveel jaar was er een overstroming. De komst van de Betuwespoorlijn, van Dordrecht naar Elst, in 1886, bracht de eerste verandering. Toen kwam er een snelweg, de A15. Die werd bijna honderd jaar later, in 1980, opengesteld. In 1996 werd het besluit genomen tot aanleg van een goederenspoorlijn: de Betuweroute, een kwart eeuw na de snelweg in gebruik genomen (2007). En nu zijn we de helft van een kwart eeuw verder en ligt er een kolossaal bedrijventerrein langs die A15, bij Oosterhout, waar twee eeuwen terug de dijk nog doorbrak. Het landschap van zelfs minder dan dertig jaar geleden is ter ziele. Enorme hallen langs de snelweg, en sinds kort ook windmolens tussen Oosterhout en Elst. Wat gebeurt hier? 

In de eerste plaats moet je weten dat Lent en Oosterhout nu deel zijn van Nijmegen. En dus is de noordelijke oever van de Waal in een recordtempo volgebouwd met huizen, scholen, winkelcentra en een hotel. Lent was vroeger bekend om zijn potgrond, maar die grond is nu verdwenen onder de gebouwen. Daarna kwam er een bedrijventerrein, De Rietgraaf, langs de vroegere Griftdijk. En nu, sinds enkele jaren, het vervolg: Park15, direct aan de snelweg. Op hun website lezen we: Park15 is het toonbeeld van een nieuwe generatie duurzame bedrijvenparken in Nederland: tijdloos en met behoud van waarde op lange termijn. Kwalitatief hoogwaardig, groen en toekomstbestendig. Nederland wordt volgebouwd met grote hallen en dozen, vooral langs de snelwegen. We zijn bezig met het redden van een paar snippers natuur, met het introduceren van de wolf en met het behoud van enkele postzegels bloemrijk grasland. Overal lees je hoe de overheid de natuur wil herstellen en ecologische zones maken, maar zelden hoor je iets over het landschap.

Wat is of wordt er zoal gebouwd op Park15? Dat zijn hele grote hallen voor voedseldistributie. In de grootste zitten Lidl, Heinz en Albert Heijn. Wat wij eten wordt daarvandaan verspreid naar de winkels. Of naar de digitaal bestellende klanten, zoals bij Albert Heijn; zij verzorgen vanuit deze vestiging 40.000 bestellingen per week, zeg 7000 op een dag. Met zo’n elektrisch wagentje – dat is goed voor het milieu. Verder zit er natuurlijk een benzinestation – heel goedkoop, dus dat wordt weer omrijden voor velen – en natuurlijk een McDonalds. Wat is de lol van eten in de auto? Zelfs voor een kroket hoef je er straks niet meer uit, want ook Febo-drive is hier gevestigd. Daarnaast staat een heuse pindakaasfabriek: Supperfood met een gebouw van 3000 vierkante meter. Een heel normaal gebouw, maar qua oppervlak een minkukeltje, want de hal van Lidl meet 54.000 vierkante meter. Alles is hier groot, groter of grootst, want Heinz – die zit in de hal van Nabuurs supply chain solutions – bezet 75.000 vierkante meter. Dat zijn tien voetbalvelden. Met sauzen, dressings en tomatenketchup!

Moet het landschap van de Betuwe eigenlijk worden gespaard? Ergens moet je toch die bedrijven neerzetten en kun je het dan niet het beste daar doen? Midden op de Veluwe is al helemaal geen goed idee, dus dan maar weilanden en boomgaarden volplempen. En zo slecht wordt het helemaal niet uitgevoerd. Kijk naar de foto’s: mooie rechte lijnen, keurige sloten, er zijn zelfs voetpaden en er is een bankje waarop je kunt genieten van het nieuwe landschap. Volgens de kunsthistoricus Henk van Os hebben wij geleerd hoe mooi ons land is, door de schilderijen van onze zeventiende-eeuwse meesters. Is het dan mogelijk dat we op den duur een bedrijvenparklandschap ook mooi zullen vinden? Bijvoorbeeld door er veel mooie foto’s van te maken? Het lijkt me een illusie. Daarvoor is deze ingreep te groot. En het gebeurt ook te snel. Landschap moet wennen en dit gebied gaat voortdurend op de schop.

Zou minder supply chain solutions een oplossing kunnen zijn? Geen grote hallen meer, minder distributie, minder heen en weerkarren met elektrische of andere voertuigjes? Ik vrees dat het niet gaat gebeuren. De mens streeft helaas altijd naar persoonlijk gewin. Efficiency staat voorop. Als wij ervoor kiezen alles een beetje kalmer aan te doen, dan prijzen wij ons uit de markt. Dat is het leidende principe, en daaraan offeren wij ons landschap op. En dus hebben we straks alleen nog schilderijen die ons vertellen hoe mooi het was. Wat we toen niet zagen!

Even genieten van de omgeving

Lezen: Willem van Toorn, Het grote landschapsboek (2011)

Geplaatst in Kijken, Nadenken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Hengelo, Stork en Tuindorp ’t Lansink

Rond 1850 was Nederland ver achter met industrie. België, na Engeland het meest geïndustrialiseerde land van Europa, had zich in 1830 afgescheiden van Nederland. Koning Willem I gaf de Nederlandsche Handel-Maatschappij daarna opdracht om in Twente een moderne textielindustrie op te zetten. Dat gebeurde met hulp van de Engelsman Thomas Ainsworth, die in 1833 in Goor een weefschool was begonnen. Zo begon Charles Stork met kapitaal van zijn vader een weverij in Borne. Daarna stichtte hij met zijn broer een machinefabriekje dat in 1868 naar Hengelo verhuisde onder de naam Gebr. Stork & Co. De zaken liepen goed en Stork mocht steeds meer (stoom)machines leveren. Niet alleen aan de Twentse textielindustrie, maar ook aan de scheepsbouw en aan suikerraffinaderijen op Java. Opvallend voor die tijd: Stork was een sociaal ondernemer. ‘Nuttig te zijn is het hoofddoel! Dat is de navolging van het voorbeeld van Christus.’ Hij zorgde voor scholing, richtte een pensioenfonds op en kocht grond om woningen voor zijn personeel te bouwen.

In 1867 richtte hij de ‘Hengelosche Bouwvereeniging’ op. Die kocht de naast zijn fabriek gelegen boerderij ’t Lansink met het bijbehorende land. Daar startte in 1911 de bouw van Tuindorp ’t Lansink. Hier zouden arbeiders, beambten en leidinggevenden door en naast elkaar gaan wonen. De Amsterdamse architect Karel Muller werd de ontwerper van het plan en van veel woningen. Werknemers van Stork (en de andere partijen die meededen) waren niet verplicht er te gaan wonen, maar ze hadden wel voorrang bij de toewijzing. Het eerste deel kwam klaar in 1915. Het geheel is nu dus zo’n honderd jaren oud. In 2003 werd een gebied van 45 hectare aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het is nadrukkelijk gebouwd als een dorp en nog steeds heeft het de gemoedelijkheid daarvan. Wij wandelden er in december 2020, het weer was niet geweldig, maar we zagen hoe mooi het is.

Onze wandeling was 4,5 km lang en begon bij het station. Hengelo is in de oorlog zwaar gebombardeerd door de geallieerden, mede door zijn belang als industriestad. Het station is typisch wederopbouw, maar de vooroorlogse perronoverkapping is nog aanwezig. Wij begonnen aan de noordelijke uitgang en als je wilt kan je dan even naar de Markt lopen. Mooi is die niet met die lelijke Brink-toren. Aardig wordt het in de dichtersbuurt. Op de splitsing van de Jacob Catsstraat en de Vondelstraat ligt de voormalige bibliotheek, mede door Stork opgericht. Het was de eerste bibliotheek in Nederland, waar je zelf je boeken mocht uitzoeken. Voor die tijd kreeg je aangereikt wat geacht werd geschikt te zijn voor jou. Tussen de spoorlijnen passeer je de voormalige fabriek van Hazemeijer, waar vanaf juli 2021 het Techniekmuseum gevestigd zal zijn. Nu zit dat nog in de vm. Wilhelminaschool, waarover straks meer. Na het tweede spoorviaduct kom je op de Julianalaan die overgaat in de Lansinkweg van het Tuindorp.

Op het CT Storkplein ligt het hotel ‘Tuindorp ’t Lansink’. Wij logeerden hier een nacht en konden er (coronatijd!) ook eten. Het heeft een Michelinster en ik kan het van harte aanbevelen. Aardig personeel en een voortreffelijke keuken! Het is gebouwd als ‘ontspanningsgebouw en bewaarschool’ naar ontwerp van Karel Muller in 1916. Toen nog met één verdieping, zoals de bouwtekening laat zien. Op het plein staat een borstbeeld van Coen Stork, een van de drie zonen van Charles. Hij was de grondlegger van de wijk, maar zijn oudere broer Dirk was directievoorzitter. Vanuit de CT Storkstraat loop je naar de grote vijver, uitgegraven om zand te winnen voor de ophoging van het laaggelegen terrein. Sinds 1923 ligt hier het Tuindorpbad, aangelegd omdat men zomaar vrij ging zwemmen. Gemengd welteverstaan! Dat moest worden gereguleerd en dus kwamen er kleedhokjes.

Onderweg zie je afwisselend grote en kleine huizen. Maar werkte dat met al die verschillende standen door elkaar? Officieel wel, maar in de praktijk toch niet helemaal. In het Gedenkboek van Stork uit 1922 staat dat men ‘aan de bezwaren verbonden aan het samenwonen van verschillende maatschappelijke kringen’ tegemoet was gekomen door een geringe bouwdichtheid (niet meer dan 30 woningen per hectare) en door ‘een doelmatige beplanting, die, waar het nodig is, voor behoorlijke afscheiding zorgt’. Inderdaad is de wijk zeer groen en het aantal huizen gering. Kijk je op de ontwerptekeningen uit die tijd, dan sta je er verbaasd van, dat sommige huizen dubbel zijn, terwijl ze de indruk geven van enkele bewoning. Na de vijver kom je langs de speeltuin. Het speeltuig werd gemaakt door personeel van Stork.

Voorbij de Willem de Clercqstraat kom je bij de school van het ROC Twente. Heel toepasselijk is die gevestigd in de voormalige gieterij van Stork. Je mag daar binnenkijken en dat is zeker aan te raden. Zo zag onze zware industrie eruit! Ga je weer naar buiten dan zie je moderne fabrieken aan de Industriestraat. Hier staat ook de vm. Wilhelminaschool, waar (nu nog) het Techniekmuseum Oyfo is gevestigd. De school werd gesticht door Stork om zijn werknemers te leren tekenen en ontwerpen. Zowel gebouw als inhoud zijn de moeite van waard. Dat er ondanks de scholing wel eens wat misging bij Stork, blijkt uit de aanwezigheid van de brandweerkazerne dichtbij. Stork was wel sociaal, maar zijn werknemers goten kokende metaallegeringen in mallen, zonder enige bescherming. Anders werd het te duur. Het was al heel wat dat ze, in 1897, bij de verkoop van de duizendste stoommachine jaarlijks drie vakantiedagen kregen. En een Bijzonder Steunfonds voor onvoorziene privékosten. Nog maar 125 jaar geleden – het begin van onze welvaartsstaat!

Gebruikte literatuur: (1) Wim Wennekes, De aartsvaders. (2) Stork, 125 jaar industriële dynamiek 1868 -1988. (3) G. Feenstra, Tuinsteden. (4) Website Tuindorp ’t Lansink waarop men ook originele bouwtekeningen kan inzien.

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Station Driebergen-Zeist

De spoorlijn van Amsterdam naar Arnhem – de eerste grote lijn in ons land – kwam in 1845 gereed. Utrecht werd bereikt in 1843, Driebergen in 1844. Er was toen alleen nog een voorlopig stationnetje, het echte station kwam er in 1864, een fors gebouw met een flinke overkapping en een overdekte loopbrug naar het tegenoverliggende perron. Net voor het station kruisten de straatweg en de spoorweg. Bijna honderd jaar later, in 1962 kwam er een nieuw station, kaal en glad, met een strakke klokkentoren als markering aan de weg. Aan weerszijden van de sporen lagen twee perrons, verbonden door een benauwd ondergronds tunneltje. Maar de straatweg werd drukker en ook het spoorverkeer nam toe, dus de overwegbomen waren meer dicht dan open. Er moest dus iets gebeuren en dat was niet klein: een ongelijkvloerse kruising en meer sporen voor de trein. Dat betekende ook een nieuw station, het werd recent geopend.

De spoorlijn is op maaiveldpeil gebleven en het station en de weg zijn omlaag gebracht. De stations accommodatie ligt nu op min één onder de sporen. Daarbij is gekozen voor flauwe hellingen en dus een brede kuil, waardoor het allemaal heel mooi past in het landschap. Voetgangers en fietsers kunnen de hellingen heel gemakkelijk nemen. De brede trap voor voetgangers en de flauwe helling voor fietsers daarnaast, zijn eerder uitnodigend dan onneembaar. De stations accommodatie bestaat uit twee delen aan weerskanten van de onderdoorgang: aan de westkant ligt een inpandige, ondergrondse stalling voor 3000 fietsen, aan de oostkant de stationshuiskamer en enkele winkels. Via een gewone steile trap kom je dan op het perron. Dat is een eiland geworden tussen de twee spoorrichtingen. De treinen die niet stoppen gaan daarbuitenom en razen dus niet meer vlak langs het perron. Dat is niet gedaan om de passagiers te beschermen, maar om de capaciteit van de baan te vergroten.

De weg van Driebergen naar Zeist is verbreed en gaat nu onder het spoor door. Ook hier zijn de hellingen flauw, met de fietspaden wat hoger dan de weg, waardoor het allemaal heel harmonieus is. De grondkerende muren zijn bekleed met mooie natuursteen en overal is groen en zijn bomen geplant. Over de weg ligt een voetgangersbrug, vernoemd naar de (kort voor de oplevering verongelukte) landschapsarchitect van het project, Kees Neven. De brug verbindt twee landgoederen: westelijk van de weg de Reehorst, oostelijk Bornia. Noord van de spoorlijn ligt een nieuw busstation, aan de andere kant is een grote parkeergarage gebouwd voor 600 auto’s. De lattenbekleding geeft de garage een natuurlijke uitstraling.

Er zijn naast het station nog meer mooie combinaties van landschap en architectuur te zien. Ik wandelde over de Reehorst en volgde de wegwijzers naar de Triodosbank en de Villa. Verscholen in het bos en aan de rand van een ruim grasveld doemde daar een luchtig gebouw op met ronde, omhoog spiralende vormen, het dak deels bekleed met mossen en planten: de Triodosbank. Zij willen werken aan een duurzame samenleving en daarbij transparant zijn. Welnu, dat wás hun gebouw. Zo was goed te zien dat er vrijwel geen mensen in dat gebouw werkten. (Maar corona, dus geen normale tijden.) Aan de andere kant van het grasveld een waterloop met vijver en een betonnen brug. Die leidde naar de Villa, een heel ander soort kantoor dan gebruikelijk. Gelegen op een kleiner grasveld tussen de bomen. Even verder lag een oude landgoedboerderij, de Wederkerigheid, nu een zorgboerderij. Vervolgens liep ik naar de parkeerplaats van de Triodosbank. Die is deels overkapt met zonnepanelen op het dak; het lijkt of de stroom rechtstreeks de auto’s ingaat. Het landgoed ligt ook vlak naast de A12, dus men kan er gemakkelijk met de auto komen.

Nog even terug naar het station van weleer. Driebergen was beroemd om zijn koffie. Al voor de trein stopte werden de raampjes opengedraaid. De obers renden van voor naar achteren langs de trein, je liet je gulden vallen op hun ronde dienblad en ze schonken een kartonnen beker vol met bruine koffie – de melk zat er al in. De laatste bekers werden nog geschonken als de conducteur al had gefloten en vaak rende de ober nog mee met de zich in beweging zettende trein. Een andere herinnering aan het oude station is een plaquette uit 1962. Die werd toen aangeboden door de Algemene Bond van Forensen, opgericht in 1927. Driebergen en Zeist waren dus al vroeg forensenplaatsen voor Utrecht. Want reizen wilden de mensen. Het nieuwe station is een geweldige verbetering in de huidige situatie. Maar de vraag is toch of onze huidige situatie, met zoveel mensen en mobiliteit, nou echt zo duurzaam is.

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen

Terpentocht Noord- Friesland

Vakantie in eigen land – het is een van de gevolgen van het coronatijdperk. Wij logeerden een paar dagen in Foudgum, een paar kilometer noord van Dokkum. In een voormalige pastorie, waar Piet Paaltjens ooit predikant was. Foudgum heeft 80 inwoners en had dus vroeger een eigen predikant. Kerk en pastorie liggen op een terp en de rest van het dorp ligt op de flanken van die terp. Het is er idyllisch, maar voor sommige mensen zal het ’s winters toch iets te veel eenzaamheid zijn. Naar Dokkum kun je fietsen en dat is een heel aangenaam stadje, vooral als je bedenkt dat Bonifacius daar werd vermoord. Door Dokkum loopt de Dokkumer Ee, voorheen bekend van de Elfstedentocht. Dokkum was de hoofdstad van het kwartier Oostergo, dat aan de noordzijde wordt begrensd door de Waddenzee. Aan de westkant lag vroeger de Middelzee, een zeearm die nog voorbij Leeuwarden doorliep. Leeuwarden lag toen dus aan zee!

Vroeger was dit gebied onherbergzaam. Het water kwam van drie kanten: vanuit het noorden (de Waddenzee), vanuit het westen (de Middelzee) en vanuit het oosten door de Dokkumer Ee die uitmondde in de Lauwerszee. In het jaar 800 hadden eb en vloed in het hele gebied vrij spel. Toch woonden er al wel mensen en die wierpen heuvels op waar ze konden wonen. De kerken staan altijd op de hoogste punten, dat is in het rivierengebied ook zo, het waren schuilplaatsen voor slechte tijden. Na het jaar 1000 werd het gebied bedijkt en omstreeks 1200 was het dijkensysteem gesloten en kwam de zee er alleen nog in bij overstromingen. Maar ook dat gebeurde toch nog regelmatig, dus die terpen waren altijd praktisch. 

Interessant is hoe de Romeinen aankeken tegen deze uithoek van hun rijk. Plinius de Oudere (# 23 na Chr.) schreef er het volgende over:

De Oceaan stroomt er met een uitgestrekte vloed tweemaal per dag en per nacht over een groot gebied op het land, en bewerkt er een eeuwige verandering van de natuur, en twijfel wat land is of wat een deel van de zee. [..] Daar woont een ellendig volk op heuveltjes of plateaus boven het peil van de hoogste vloed, die zij met hun handen hebben gemaakt, waarop hun hutten staan. Zij gelijken op schepelingen wanneer het water alles om hen heen bedekt, maar op schipbreukelingen wanneer het zich terugtrekt en zij de vissen rondom hun hutten vangen, die met de zee willen vluchten. [..] Zij kunnen niet op jacht gaan, want nergens zijn struiken waarin het wild zich kan ophouden. De klei, die zij met hun handen oppakken, laten zij door de wind drogen. Hun spijzen en hun lichamen, door de noordenwind verstijfd, verwarmen zij met aarde. Hun enige drank is regenwater, dat zij opvangen bij de deur van hun huizen.

Dat gebied is nu heel wat aangenamer en je kunt er prachtig fietsen. Wij maakten een terpentocht (40 km) en kwamen langs onbekende dorpen. Natuurlijk is Holwerd bekend van de boot naar Ameland, maar niemand gaat ooit de plaats zelf bekijken. Het is de moeite waard! Net als Ferwerd, gebouwd op een ruime terp. In het terrein merk je het nauwelijks, alles lijkt vlak, maar kijk je op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, dan zie je (door vertrekking van de verticale schaal) hoeveel hoger deze dorpen liggen dan de omgeving. De hoogste terp is Hogebeintum met 9 meter boven NAP. Waarom die zo hoog gemaakt werd, is mij een raadsel. Misschien waren er toen ook al mensen die bang waren voor een nog verder rijzende zeespiegel.

Onze route ging langs de volgende knooppunten (met Ferwerd als startpunt): 34 – 2 – 76 – 18 – 28 – 27 – 29 – 79 – 78 – 26 – 19 – 20 – 22 – 21 – 17 – 77- 16 – 13 – (34). Het stuk van 2 – 28 is langs de Waddendijk met mooi uitzicht over de kwelders; in de verte zie je Ameland liggen. Toch is het een beetje saai. Gunstig bij westenwind, maar zwaar trappen met oostenwind. Maar denk dan als troost eens aan die Middeleeuwse mens die hier moest overleven. Geen elektrische fiets – zelfs geen gewone! – geen graafmachine om een terp te bouwen, geen verwarming in huis en geen café om koffie te drinken. Een schop was nog het beste gereedschap en een regenton om het water bij de deur op te vangen. Er is veel verbeterd in duizend jaar!

Brantgum
Geplaatst in Fietsen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Gelukkig wonen in Hilversum

Volgens de website Steengoed Hilversum is Hilversum de enige tuinstad van Nederland; overal elders zijn alleen tuindorpen gebouwd. Of dit waar is, weet ik niet, maar het was voor ons aanleiding eens naar Hilversum te gaan. Een wandeling in de bloemenbuurt leek mij wel wat. Nog zonder mondkapje – het is coronatijd – met de trein naar Hilversum Sportpark, en lopen maar. Eerst verkeerd, een beetje om, maar gaf niet want mooie huizen en gebouwen genoeg. Ik heb onze route op een kaartje uitgezet.

Bij de combinatie Hilversum en architectuur denk je al gauw aan Dudok. Ik wist dat hij het raadhuis van Hilversum had ontworpen, maar daar wilden we niet heen. Zo’n raadhuis is één gebouw en dat bekijk je dan en het zal zeker de moeite waard zijn, maar wij wilden in een buurt lopen: huizen en straten, groen en tuinen, scholen en kinderen. De scholen functioneerden gelukkig net weer op halve kracht. Dat Dudok zoveel heeft gebouwd in Hilversum, wisten we niet.

Dudok (1884 – 1974) was van origine geen architect; hij werd opgeleid als officier aan de KMA – genie, zeg maar vestingbouw. Militair ingenieur, de voorloper van mijn civiele vak. Daarna werkte hij aan forten in de Beemster. Op zijn dertigste werd hij aangesteld als directeur van Publieke Werken in Hilversum. Later werd hij, op eigen verzoek, benoemd tot stadsarchitect, meer in overeenstemming met zijn artistieke aanleg. Uit een beschrijving door zijn dochter begrijp ik dat hij de schrijver Bordewijk, ook geboren in 1884, waardeerde. Auto’s noemde hij knorrende beesten naar een van Bordewijks titels. Als ik naar zijn schoolgebouwen kijk, de Bavinckschool (1921) en de Oranjeschool (1922) meen ik Bint te zien. Maar dat is fantasie, want Bint was van 1934, en veel scholen uit die tijd hadden dat strenge geslotene.

Dudoks eerste opdracht in Hilversum was de bouw van arbeiderswoningen. Vol idealen werkte hij daaraan, schrijft zijn dochter: ‘De mensen moeten hier gelukkig wonen’. En het resultaat mocht er zijn: ‘Het werd een aardige, vrolijke buurt. Er werd waterleiding aangelegd en de bewoners kregen, o luxe, een echte wc.’ Geen douche of badkamer; daarvoor werd een badhuis gebouwd, eveneens naar ontwerp van Dudok. Ook heel gesloten, met aparte ingangen voor vrouwen en mannen. Vrouwen hadden toen sowieso al moeite met bloot onder een douche staan; hun bezoek was een fractie van het mannelijk gebruik.

Heel markant zijn die arbeidershuisjes. Toen kostten ze enkele duizenden guldens, nu gaan ze voor tonnen weg, in euro’s dus. Dudok was niet de enige die hier voor arbeiders bouwde. Veel architecten hadden hetzelfde ideaal: goede huisvesting bevordert het geluk. Maar dat hoefde niet persé samen te gaan met de bouw van tuinsteden. Lang niet alle arbeiders waren erop gesteld, om ook nog ’s avonds in een tuintje te werken. Een vrije zaterdag was er ook niet; het was al heel wat als je die middag naar het badhuis kon. Duur! 

Ik vind de bloemenbuurt ook niet typisch een tuindorp, zoals Vreewijk in Rotterdam dat wel is. Minder een gemeenschap, minder eenheid ook. Maar zeker kenmerkende en fraaie woningcomplexen. Aangenaam om te wandelen. Dat geldt ook voor de weg terug naar het station, door de Kastanjelaan, de Diependaalsedrift en het Laapersveld. Parken, vijvers en de bijbehorende pompgemalen, allemaal van Dudok. Een begenadigd ontwerper die anderen gelukkig wilde maken. Mooi nog na zoveel jaren.

Gebruikte websites:  Wikipediahttps://dudok.org/2020/05/12/dochter-mia-vertelt-over-het-alledaagse-leven-van-dudok/; https://www.dudokarchitectuurcentrum.nl/activiteit/bloemenbuurt-hilversum/

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Een echte Arnhemmer?

Hotel Zuid

In 1953 verhuisde ik, 7 jaar oud, met mijn ouders naar Arnhem. Althans dat dacht ik. Ik was er heel blij mee. Wij woonden in Gouda, in een polder, op het veen – slappe grond en dus slappe mensen dacht ik. In Arnhem zouden vast hele sterke jongens wonen en ik zou daar bij gaan horen. Maar dat viel tegen, want wij kwamen niet terecht in Arnhem, maar in Arnhem-Zuid: een polder over de brug. En zoals het raadslid J.J.W. IJsselmuiden in 1931 al zei: een Arnhemmer voelt niets voor een polder, die woont in bos en hei. Nu wonen er in Arnhem-Zuid bijna net zo veel mensen als in Noord, maar nog steeds is er dat onderscheid. Mooi wonen doe je in Arnhem, en dan bedoel ik echt Noord, ver van het centrum. Toch heeft ook Arnhem-Zuid wel duurdere wijken, maar daar behoort Malburgen, zoals de oorspronkelijke wijk ging heten, niet bij. Toen wij er kwamen, was de wijk sociaal gemengd: arbeiders en middenstand. Maar zoals het vaak gaat, migreerden de middenstanders op den duur naar andere wijken.

Malburgen is van de wederopbouw. De bouw begon in 1937 nadat de Rijnbrug gereed was gekomen. Toen de oorlog begon, stonden er 360 huizen. Tijdens de oorlog werd er doorgebouwd. Maar in 1944 werd het stadsdeel vernield tijdens en na Market Garden. ‘Zuid’ was het meest verwoeste deel van de stad, geen huis meer heel. Dat was niet te zien toen ik er kwam wonen. Die brug was er naar mijn idee altijd geweest, en dat er heel andere huizen hadden gestaan op de plek waar wij woonden, bedacht ik niet. Alle beschadigde huizen van Arnhem -Zuid waren in 1953 hersteld, de oorlog was lang geleden, zo voelden wij het toen. In 1964 – het jaar dat ik Arnhem verliet – was Malburgen volgebouwd en de wederopbouw voltooid.

Er kwamen Turkse en Marokkaanse gezinnen wonen en de gemeente vond onderhoud van straten en plantsoenen te duur. De wijk verpauperde. En toen kwam, in 2007, Ella Vogelaar. Arnhem kreeg vier naar haar genoemde wijken: Klarendal, Het Broek, Presikhaaf en Malburgen. In 2008 wandelde ik in Malburgen-West en een jaar later in Malburgen-Oost. Het opknappen was in volle gang, maar bewoners gooiden veel troep op straat en de gemeente ruimde het niet op. Op enkele plekken namen mensen zelf de bezem en de schoffel ter hand. Voorbeeldig! 

Recent maakte ik weer een wandeling door Malburgen. Ik begon op het De Monchyplein (halte lijnen 2 en 3) en stak de Nijmeegseweg over naar de Gelderse Rooslaan. Die heette vroeger Meinerswijkseweg, maar Gelderse Roos past beter in de bloemige naamgeving van Malburgen. Opvallend is de kleurstelling van de 16 flatblokken die daar in 1953 zijn gebouwd. Die was al aangepast bij mijn eerste wandeling, maar nu is die nog veel mooier geworden. Vroeger waren dit grauwe flats, nu lichten ze op. Ze spiegelen in het water, een van de sterke punten van Arnhem-Zuid.

Door de Dovenetellaan kwam ik bij de Meldestraat. In de plint van het op de hoek gelegen pand heeft de Arnhemse kunstenaar Arno Arts in 2010 een boekenwand verbeeld met de geschiedenis van Malburgen. Ik sta er zelf ook in met een foto door mijn vader genomen op de dijk, kijkend naar het hoge water van januari 1955. Toen was het echt hoog maar er was geen sprake van paniek. Na de boekenwand liep ik door de Meldestraat naar de Nijmeegseweg om die over te steken naar Malburgen-Oost. Daar begint de Zeegsingel en samen met de Meldestraat vormt die één lange lijn van water en groen. Het is de verbeelding van de polder die hier ooit was. Dit had Pieter Verhagen voor ogen toen hij Arnhem-Zuid ontwierp: een tuinstad in de polder, doorsneden door oude waterlopen. De Zeeg was een oude Rijntak, ooit de grens van Arnhem.

Op diverse plaatsen zag ik nieuwbouw gecombineerd met wederopbouw. Vrijwel alle oudere bebouwing is volgens de principes van de Delftse school. Dat betekent vooral eenvoud: de mens moest zijn plaats weten in de door God gegeven orde. Die orde is nu anders: in de Fluitekruidstraat staat de Turkse moskee naast de Kruiskerk. De Snoekstraat met nieuwbouw en de Visserslaan in Delftse schoolstijl vormen een mooi contrast, gescheiden door breed water. Op de rotonde vóór deze straten zwemmen vissen in de lucht. Ook de daarachter gelegen Zuringstraat en Kamillehof met buurtwinkels en speelplaats zijn typisch wederopbouw. Door de Graslaan teruglopend, zie je links fantasieloze (vissen)straten, rechts de Sint Margarethaschool: bordeauxrood in het groen. Daarna liep ik over de Groene Weide – helemaal volgens het idee van een tuinstad – naar de Huissensestraat.

Op de tegenoverliggende hoek stond vroeger de Sacramentskerk, in 2009 vervangen door het woonzorgcentrum Malburgstaete – waarom nou weer zo’n rare ae? – geopend door koningin Beatrix. Jammer dat die kerk is afgebroken, die was zó katholiek en zó jaren-vijftig. Bij het winkelcentrum De Drieslag viel mij het beeld Naakt meisje op tussen goed verpakte moslimvrouwen. Ik at een broodje bal bij Snackbar Jaap op het Suikerland en constateerde dat ze de gevels met de verkeerde steen hadden gerenoveerd. Dat was gelukkig beter bij Hotel Zuid. Hier begon Arnhem-Zuid en ook mijn wandeling. Ik kan hem alle Arnhemmers – ook de echte – aanbevelen. 

Geplaatst in Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen

Maassluis, in de diepte

Naar Maassluis reis je tegenwoordig met de Rotterdamse metro die over de oude Hoek van Holland-spoorlijn rijdt. Ik stapte in Rotterdam Alexander op, de trein stopte op 20 tussenstations. Toch gaat het snel, 42 minuten later was ik in Maassluis. Buiten Rotterdam rijd je bovengronds, in de stad blijf je onder de grond. Je stapt uit op Maassluis Centrum en dan is het meteen genieten. Overal water, havens en bruggen. Vlakbij ligt de Waterweg met de Delflandsedijk, de eerste bescherming tegen het buitenwater. De kruin van die dijk ligt hoger dan de oude Maasdijk die de stad vroeger beschermde.

Maassluis is gebouwd in twee etages. Het deel buiten de Maasdijk ligt hoog. Door de haven komt het getij binnen met soms hoge waterstanden. Maar het oudste deel van de stad, daar waar het allemaal begon, ligt laag. Deze twee delen worden gescheiden door de oude Maasdijk, met daarin de sluizen voor de uitwatering van het binnenwater. Het hoge deel heeft meer allure, is wereldser. Hier liggen, aan de haven, de huizen van de kapiteins en stuurlui die met hun slepers in alle uithoeken van de wereld kwamen: het is Hollands Glorie van Jan de Hartog. Aan de lage kant van de Maasdijk is het kleinsteeds. Dit is de samenleving zoals door Maarten ’t Hart beschreven in Het roer kan nog zesmaal om. Men kreeg er ruzie over de schrijfwijze van het woordje Heere.

Maassluis dankt zijn ontstaan aan de bouw van een sluis aan de Maas voor de uitwatering van Maasland. Oorspronkelijk heette het daarom Maaslandsluis. Bij die sluis vestigden zich vissers. Die moesten voor alle officiële handelingen naar Maasland, wat ze op den duur een beetje zat werden. En dus deden ze moeite om zelfstandig te worden. Dat lukte in 1614. In het centrum liggen twee vaarten, de Noordvliet en de Zuidvliet, die waterden uit op het Scheur. Maar de Maasdijk moest gesloten kunnen worden bij hoog buitenwater en daarom waren er uitwateringssluizen in de dijk: de Monstersche Sluis in de Noordvliet en de Wateringsche Sluis in de Zuidvliet. Die sluizen zijn nu permanent dicht. De dijk en de sluizen vormen de afsluiting van het oude centrum.

Aan de westkant van het hogere deel zie je een geweldige kerk, de Groote Kerk, gebouwd in 1629/39 op het Schanseiland. Deze is gebouwd naar het model van de Amsterdamse Noorderkerk. Niet alle Maassluizers gingen vanuit de diepte op naar deze kerk, er waren veel mogelijkheden. Dat ze in Maassluis zo goed op de hoogte waren van het geloof, zal wel bevorderd zijn door de vele plaatselijke godgeleerden. De plaats werd gesticht door dominee Fenacolius, ene Aegidius Francken schreef er zijn Stellige God-Geleertheyd en Abraham Kuyper, de emancipator van de ‘kleine luyden’, werd er geboren. Zijn geboortehuis staat aan de noordzijde van de Zuidvliet, de Dr. Kuyperkade. Nu is daar het Kruidvat gevestigd.

De Hoogstraat – in feite de Maasdijk – ligt tussen de beide sluizen in. Daar ligt ook het vroegere stadhuis, nu Nationaal Sleepvaart Museum. De huizen zijn hier op en tegen de dijk aan gebouwd. Aan de andere kant ligt de Stadhuiskade. Die vormt de afsluiting van de Kolk (de haven) die in open verbinding staat met het buitenwater. Hier liggen de historische sleepboten, want Maassluis was de thuishaven van sleepvaartbedrijf Smit en bergingsbedrijf Van den Tak. Het is de moeite waard om een kijkje te nemen in het museum en je te laten voorlichten door de vrijwilligers, merendeels mensen uit het vak. Op de kade staat een plaquette voor Jan de Hartog. Daar ligt ook de Furie uit Hollands Glorie.

Ook het Museum Maassluis op de Zuiddijk is de moeite waard als je iets van de geschiedenis wilt weten. De schilder Jongkind woonde zes jaar in Maassluis en schilderde er Hollandse taferelen met schaatsers in waterland. Er liggen drie dikke delen God-Geleertheyd en nog andere verhandelingen van Aegidius Francken. Vanuit Maassluis was er een veer naar Den Briel aan de overkant, kilometers zeilen over gevaarlijk water. Hoeveel veiliger is alles nu geworden! Wat heeft het diepgelegen Maassluis niet doorstaan aan dat grote, gevaarlijke buitenwater? Niet voor niets steekt die kerk boven alles uit!

Gezicht op de noordzijde van de Maas, Jacob Quack, Jan Houwens (I), 1665
Geplaatst in Kijken | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Napoleons nalatenschap

DSC_7610

De Zuid-Willemsvaart tussen Bocholt en Lozen

In 1799 werd Napoleon Bonaparte – 30 jaar oud – eerste Consul van Frankrijk. België was deel van de Franse Republiek, Nederland was een quasi-zelfstandige (Bataafse) Republiek. Rivaliteit was er tussen die twee sinds de Tachtigjarige Oorlog. Vóór Amsterdam was Antwerpen de belangrijkste haven van de wereld. In 1803 bezocht Napoleon Antwerpen en de Antwerpenaren vroegen om een rechtstreekse verbinding met de Rijn. Daar had Napoleon wel oren naar, want hij had weinig vertrouwen in zijn relatie met de eigenzinnige Hollanders. Antwerpen zou zijn oorlogshaven worden, het pistool op de borst van Engeland. Met een kanaal zou het hout, nodig voor de bouw van zijn oorlogsschepen, rechtstreeks uit de Duitse wouden naar de Antwerpse werven kunnen worden aangevoerd.

Het Grand Canal du Nord zou uit twee delen bestaan: het eerste deel van Antwerpen naar de Maas en het tweede deel van de Maas naar de Rijn. Napoleon – in 1804 keizer geworden – keurde het ontwerp in 1806 goed. Het kanaal zou volledig binnen zijn keizerrijk liggen, dicht langs de grens met de Bataafse Republiek, maar niet daaroverheen. Dat betekende: van Antwerpen langs Weert naar Venlo, want Limburg was ook deel van het Franse keizerrijk. Daar zou het de Maas kruisen en vervolgens verbinding maken met de Rijn – Frankrijks oostgrens – bij Neuss. Het kanaal zou 188 kilometer lang worden: 135 km van Antwerpen naar Venlo en 53 km van Venlo naar Neuss. Maar tussen Venlo en Neuss liggen heuvels, dus het kanaal moest eerst door zeven sluizen vanaf de Maas omhoog en dan weer door twee sluizen omlaag naar de Rijn. Maar nog veel erger was het tussen Antwerpen en Venlo: daar moest het hoogteverschil worden overbrugd door 28 sluizen, 17 omhoog van Antwerpen naar het Belgische Bocholt (niet ver van Weert), en daarna door elf sluizen omlaag naar de Maas bij Venlo. Omdat men water verliest bij het schutten (en door lek en verdamping) moest het kanaal worden gevoed met Maaswater dat van Maastricht, waar de Maas hoger ligt, werd aangevoerd naar Bocholt. Daar was een groot reservoir gepland, het Bassin Napoleon, als voeding voor de kanalen naar het oosten en westen – natuurlijk met een standbeeld van de keizer in het midden.

Deze diashow vereist JavaScript.

In 1808 begon men met graven. Duizenden arbeiders gingen met kruiwagens en schoppen aan de gang. Ook werd gestart met de bouw van de sluizen. Even over de grens bij Venlo – in Louisenbourg, genoemd naar Marie Louise van Oostenrijk, Napoleons tweede echtgenote – kwam een kampement voor de arbeiders. Daar werd ook de eerste van de zeven sluizen gebouwd voor de afdaling naar de Maas. De ruwbouw van deze sluis is nog te zien, net als grote delen van het kanaal tussen de Maas en de Rijn. Tussen Antwerpen en Venlo werden ook grote stukken kanaal gegraven, maar sluizen werden hier nog niet gebouwd. Want in 1810 werd Nederland ingelijfd bij het Franse keizerrijk en Napoleons Nederlandse raadgevers fluisterden hem toen in dat hij dat kanaal maar beter kon vergeten. Schepen konden gewoon de Rijn afvaren naar Rotterdam of Dordrecht, prima havens in zijn geëxpandeerde keizerrijk. De Belgen zagen die raad als de zoveelste streek van ‘de Hollanders’.

DSC_7592

De Zuid-Willemsvaart vanaf Sluis 17 bij Lozen richting Weert

Na Napoleons nederlaag in 1815 werd het voedingskanaal van Maastricht naar Bocholt en de kanaalsectie van Bocholt naar Nederweert onder koning Willem I omgevormd tot Zuid-Willemsvaart en doorgetrokken naar ’s Hertogenbosch. Ook daarover waren de Belgen kwaad. Willem was toch koning van het Verenigd Koninkrijk, waarom dan niet naar Antwerpen? Het telde allemaal op bij de haat tegen ‘de Hollanders’ en droeg zo bij aan de afscheiding van 1830, waarmee het zuidelijke deel van de Zuid-Willemsvaart Belgisch werd. En na de definitieve scheiding in 1839 verlengden de Belgen dat kanaal meteen naar Antwerpen. Dat werd het Kempenkanaal dat zich bij Bocholt, even voor de grens met Nederland, afsplitst van de Zuid-Willemsvaart en met 17 sluizen naar Antwerpen liep. Tientallen jaren weigerden de Belgen zelfs de naam Zuid-Willemsvaart te gebruiken; zij spraken van het kanaal van Maastricht naar ’s Hertogenbosch.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het Kempenkanaal werd later hernoemd tot Kanaal van Herentals naar Bocholt, omdat het bij Herentals aansluit op het Albertkanaal. Het is mooi gelegen in de vroeger armzalige heidevelden van de Kempen, nu zijn daar bossen met chique dorpen en grote villa’s. Je kunt erlangs fietsen en de originele tweetrapssluizen uit 1845 bewonderen. Uit dezelfde tijd dateren de sluizen 17 en 18 in het Belgische deel van de Zuid-Willemsvaart, bij Lozen en Bocholt (zie satellietbeeld boven). Het ziet er allemaal heel gemoedelijk uit, maar pas op: als Hollander wil je nog wel eens over de duidelijk getrokken verbodslijnen heen stappen om even beter te kijken. Dat wordt in België niet gewaardeerd: ‘gij zijt toch niet van de navigatie, dus wilt u hier wel verdwijnen’. Ook na tweehonderd jaar zijn de verschillen tussen Nederland en België niet weg!

DSC_7618

Sluis 18 bij Bocholt in de Zuid-Willemsvaart

Geplaatst in Fietsen, Kijken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Zieuwent, uit moeras gewonnen

Zieuwent

Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dankzij een door Rob Wolfs ontworpen wandeling kwamen wij terecht in het dorp Zieuwent in de Achterhoek. Nooit van gehoord natuurlijk. Maar zowel de plaats als de omgeving is boeiend. Het gebied rond het dorp was vroeger moeras. Het water kwam van de hoge gronden bij Lichtenvoorde vandaan en stroomde af naar de IJssel. Dat ging moeizaam door het flauwe verhang bij Zieuwent en dus stond het gebied jaarlijks lang onder water. Op het bodemkaartje is te zien dat er een groot laagveengebied lag tussen Lichtenvoorde en Ruurlo, en op het Actueel Hoogtebestand zie je dat het maaiveld bij Lichtenvoorde hoog ligt (rood) en noordelijk van Zieuwent laag (blauw). Het verschil is drie meter over een afstand van zes kilometer. Zieuwent zelf ligt ongeveer een meter hoger dan zijn omgeving.

Oorspronkelijk was er helemaal geen sprake van een dorp. De mensen woonden in groepjes bij elkaar op hogere plekken, zogenaamde droebels. Het hele gebied tot aan Ruurlo heette ‘het Zieuwent’, en die naam zou afkomstig zijn van ‘Syenwede’, met als betekenis: ‘laag moerasbos, gelegen aan langzaam stromend water’. De ontwatering van het Zieuwent is al in de 13eeuw begonnen. Daardoor konden mensen zich hier vestigen. In de 18en 19eeuw werden de Veengoot en de Baakse Beek naar het zuidoosten verlengd waardoor de ontwatering verbeterde. Pas in de 20eeuw werd het gebied ontsloten door verharding van zandwegen. Na eerdere natte jaren werd tussen 1970 en 1980 een ruilverkaveling uitgevoerd en de grondwaterspiegel verlaagd. Wateroverlast behoort nu tot het verleden. Maar zoals altijd, los je een probleem nooit definitief op: lage waterstanden zijn slecht voor de natuur. Het moerasprobleem is veranderd in een verdrogingsprobleem.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het dorp Zieuwent werd gevormd bij een droebel genaamd ‘t Hoenderboom. Daar werd in 1795 een kerk gebouwd: katholiek, want dat was die hele omgeving. (In de Tachtigjarige Oorlog bleef de streek lang Spaans.) Die kerk kwam er na een ruzie met een pastoor in Harreveld, een paar kilometer zuidelijker. Ondanks hun armoede legden de mensen uit het Zieuwent geld bij elkaar om een kerk te bouwen. De kerk werd verfraaid met kroonluchters, een orgel, een uurwerk en luidklokken, alles opgebracht door de gemeenteleden. De gemeente groeide, de kerk moest worden vergroot. Dat was in 1837.

DSC_7749

Die kerk werd ook weer te klein en dus moest er een nieuwe komen. Die moest groter zijn dan de kerk van het naburige Harreveld. De bedevaartskerk van Kevelaer was het grote voorbeeld – daar trokken de parochianen in 1895 en ‘96 heen. Bij de aartsbisschop in Utrecht lag een ontwerp klaar van de Arnhemse architect J.W. Boerbooms. Het was eerder door andere parochies afgewezen omdat het te duur was. Maar de parochianen van Zieuwent zagen er wel wat in; ze konden zelf meewerken met karren en schoppen om kosten te sparen. Toch vond de bisschop het te groots worden en daarom beval hij om de kerk enkele meters te verkleinen – tot verdriet van Boerbooms. Die maakte zelf niet meer mee dat de Sint Werenfriduskerk in 1899 werd geopend door de aartsbisschop; hij overleed in dat jaar op 49-jarige leeftijd. Na de opening werd het interieur verfraaid met altaren, muurschilderingen, gebrandschilderde ramen en alles wat een katholieke kerk moet hebben. Het is een en al pracht en praal in deze kerk, opgebracht door enkele honderden gezinnen waarvan de meeste in armoe leefden.

DSC_7735

Interieur van de Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dat het dorp zo hard groeide mag voor een flink deel worden toegeschreven aan de kerk. A.A. Woppereis schrijft in zijn jeugdherinneringen over Zieuwent dat zijn ouders, na hun huwelijk in de Sint Werenfriduskerk in 1921, ‘overeenkomstig de leer van de katholieke kerk en onder toezicht van de pastoor, onmiddellijk begonnen met de gezinsvorming’. Dat gezin telde negen kinderen, in die tijd ongeveer het gemiddelde; zijn grootmoeder had 99 kleinkinderen uit elf eigen kinderen. Die kinderen lagen met drie in één bed, het derde kind met het hoofd tussen de voeten van twee anderen. In de kerk was een speciale kraambank waar vrouwen na de kraam konden biechten. Waarom? Ze zouden mogelijk sexuele genoegens kunnen hebben gehad tijdens de verwekking van hun kind. Maar veel plezier zal dat niet zijn geweest, vrouwen werd ingeprent dat ze hun man nooit mochten weigeren.

Het dorp was honderd procent katholiek en een hechte gemeenschap. Er konden wel eens allochtonen binnenkomen uit verder weggelegen plaatsen – in Nederland wel te verstaan. Als daar een enkele keer een protestant bij was, werd die gemeden als de pest. Zijn kinderen zaten alleen in de schoolbanken, liepen alleen naar huis, speelden alleen en zelf hadden de ouders ook niemand. Allochtonen van een ander geloof hielden het niet langer dan twee jaar uit.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ik wandelde rond en in het dorp. Het veen is verdwenen, er zijn grote huizen gebouwd waar men met vier personen woont, in plaats van met tien. Je bent zo aan de rand van het dorp en dan zie je weiden en boomsingels. De mensen zijn uitermate vriendelijk, alle kinderen die ik tegenkwam groetten. Ik zag een net verkocht huis, met vlaggetjes en een bord ‘Welkom in de buurt’. Op veel plaatsen domineert nog de kerk, maar dat is alleen het gebouw. De macht van de kerk is verdwenen, de pastoor is er niet meer en, zonder voorschriften over het aantal kinderen dat ze moeten baren, hebben de vrouwen misschien zelfs plezier met hun mannen. Een mensenleeftijd – minder dan een eeuw – en een wereld van verschil!

Gebruikte literatuur: J. en R. Boekelder, De historie van Zieuwent; A.A. Wopereis,Waor bu’j van? Een terugblik op mijn jeugd in het dorp Zieuwent in de jaren 1930-1947; A.M.A.J. Driessen, Gij beken eeuwig vloeijend. Water in de streek van Rijn en IJssel.

 

Geplaatst in Nadenken, Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen