Station Driebergen-Zeist

De spoorlijn van Amsterdam naar Arnhem – de eerste grote lijn in ons land – kwam in 1845 gereed. Utrecht werd bereikt in 1843, Driebergen in 1844. Er was toen alleen nog een voorlopig stationnetje, het echte station kwam er in 1864, een fors gebouw met een flinke overkapping en een overdekte loopbrug naar het tegenoverliggende perron. Net voor het station kruisten de straatweg en de spoorweg. Bijna honderd jaar later, in 1962 kwam er een nieuw station, kaal en glad, met een strakke klokkentoren als markering aan de weg. Aan weerszijden van de sporen lagen twee perrons, verbonden door een benauwd ondergronds tunneltje. Maar de straatweg werd drukker en ook het spoorverkeer nam toe, dus de overwegbomen waren meer dicht dan open. Er moest dus iets gebeuren en dat was niet klein: een ongelijkvloerse kruising en meer sporen voor de trein. Dat betekende ook een nieuw station, het werd recent geopend.

De spoorlijn is op maaiveldpeil gebleven en het station en de weg zijn omlaag gebracht. De stations accommodatie ligt nu op min één onder de sporen. Daarbij is gekozen voor flauwe hellingen en dus een brede kuil, waardoor het allemaal heel mooi past in het landschap. Voetgangers en fietsers kunnen de hellingen heel gemakkelijk nemen. De brede trap voor voetgangers en de flauwe helling voor fietsers daarnaast, zijn eerder uitnodigend dan onneembaar. De stations accommodatie bestaat uit twee delen aan weerskanten van de onderdoorgang: aan de westkant ligt een inpandige, ondergrondse stalling voor 3000 fietsen, aan de oostkant de stationshuiskamer en enkele winkels. Via een gewone steile trap kom je dan op het perron. Dat is een eiland geworden tussen de twee spoorrichtingen. De treinen die niet stoppen gaan daarbuitenom en razen dus niet meer vlak langs het perron. Dat is niet gedaan om de passagiers te beschermen, maar om de capaciteit van de baan te vergroten.

De weg van Driebergen naar Zeist is verbreed en gaat nu onder het spoor door. Ook hier zijn de hellingen flauw, met de fietspaden wat hoger dan de weg, waardoor het allemaal heel harmonieus is. De grondkerende muren zijn bekleed met mooie natuursteen en overal is groen en zijn bomen geplant. Over de weg ligt een voetgangersbrug, vernoemd naar de (kort voor de oplevering verongelukte) landschapsarchitect van het project, Kees Neven. De brug verbindt twee landgoederen: westelijk van de weg de Reehorst, oostelijk Bornia. Noord van de spoorlijn ligt een nieuw busstation, aan de andere kant is een grote parkeergarage gebouwd voor 600 auto’s. De lattenbekleding geeft de garage een natuurlijke uitstraling.

Er zijn naast het station nog meer mooie combinaties van landschap en architectuur te zien. Ik wandelde over de Reehorst en volgde de wegwijzers naar de Triodosbank en de Villa. Verscholen in het bos en aan de rand van een ruim grasveld doemde daar een luchtig gebouw op met ronde, omhoog spiralende vormen, het dak deels bekleed met mossen en planten: de Triodosbank. Zij willen werken aan een duurzame samenleving en daarbij transparant zijn. Welnu, dat wás hun gebouw. Zo was goed te zien dat er vrijwel geen mensen in dat gebouw werkten. (Maar corona, dus geen normale tijden.) Aan de andere kant van het grasveld een waterloop met vijver en een betonnen brug. Die leidde naar de Villa, een heel ander soort kantoor dan gebruikelijk. Gelegen op een kleiner grasveld tussen de bomen. Even verder lag een oude landgoedboerderij, de Wederkerigheid, nu een zorgboerderij. Vervolgens liep ik naar de parkeerplaats van de Triodosbank. Die is deels overkapt met zonnepanelen op het dak; het lijkt of de stroom rechtstreeks de auto’s ingaat. Het landgoed ligt ook vlak naast de A12, dus men kan er gemakkelijk met de auto komen.

Nog even terug naar het station van weleer. Driebergen was beroemd om zijn koffie. Al voor de trein stopte werden de raampjes opengedraaid. De obers renden van voor naar achteren langs de trein, je liet je gulden vallen op hun ronde dienblad en ze schonken een kartonnen beker vol met bruine koffie – de melk zat er al in. De laatste bekers werden nog geschonken als de conducteur al had gefloten en vaak rende de ober nog mee met de zich in beweging zettende trein. Een andere herinnering aan het oude station is een plaquette uit 1962. Die werd toen aangeboden door de Algemene Bond van Forensen, opgericht in 1927. Driebergen en Zeist waren dus al vroeg forensenplaatsen voor Utrecht. Want reizen wilden de mensen. Het nieuwe station is een geweldige verbetering in de huidige situatie. Maar de vraag is toch of onze huidige situatie, met zoveel mensen en mobiliteit, nou echt zo duurzaam is.

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Een reactie plaatsen

Terpentocht Noord- Friesland

Vakantie in eigen land – het is een van de gevolgen van het coronatijdperk. Wij logeerden een paar dagen in Foudgum, een paar kilometer noord van Dokkum. In een voormalige pastorie, waar Piet Paaltjens ooit predikant was. Foudgum heeft 80 inwoners en had dus vroeger een eigen predikant. Kerk en pastorie liggen op een terp en de rest van het dorp ligt op de flanken van die terp. Het is er idyllisch, maar voor sommige mensen zal het ’s winters toch iets te veel eenzaamheid zijn. Naar Dokkum kun je fietsen en dat is een heel aangenaam stadje, vooral als je bedenkt dat Bonifacius daar werd vermoord. Door Dokkum loopt de Dokkumer Ee, voorheen bekend van de Elfstedentocht. Dokkum was de hoofdstad van het kwartier Oostergo, dat aan de noordzijde wordt begrensd door de Waddenzee. Aan de westkant lag vroeger de Middelzee, een zeearm die nog voorbij Leeuwarden doorliep. Leeuwarden lag toen dus aan zee!

Vroeger was dit gebied onherbergzaam. Het water kwam van drie kanten: vanuit het noorden (de Waddenzee), vanuit het westen (de Middelzee) en vanuit het oosten door de Dokkumer Ee die uitmondde in de Lauwerszee. In het jaar 800 hadden eb en vloed in het hele gebied vrij spel. Toch woonden er al wel mensen en die wierpen heuvels op waar ze konden wonen. De kerken staan altijd op de hoogste punten, dat is in het rivierengebied ook zo, het waren schuilplaatsen voor slechte tijden. Na het jaar 1000 werd het gebied bedijkt en omstreeks 1200 was het dijkensysteem gesloten en kwam de zee er alleen nog in bij overstromingen. Maar ook dat gebeurde toch nog regelmatig, dus die terpen waren altijd praktisch. 

Interessant is hoe de Romeinen aankeken tegen deze uithoek van hun rijk. Plinius de Oudere (# 23 na Chr.) schreef er het volgende over:

De Oceaan stroomt er met een uitgestrekte vloed tweemaal per dag en per nacht over een groot gebied op het land, en bewerkt er een eeuwige verandering van de natuur, en twijfel wat land is of wat een deel van de zee. [..] Daar woont een ellendig volk op heuveltjes of plateaus boven het peil van de hoogste vloed, die zij met hun handen hebben gemaakt, waarop hun hutten staan. Zij gelijken op schepelingen wanneer het water alles om hen heen bedekt, maar op schipbreukelingen wanneer het zich terugtrekt en zij de vissen rondom hun hutten vangen, die met de zee willen vluchten. [..] Zij kunnen niet op jacht gaan, want nergens zijn struiken waarin het wild zich kan ophouden. De klei, die zij met hun handen oppakken, laten zij door de wind drogen. Hun spijzen en hun lichamen, door de noordenwind verstijfd, verwarmen zij met aarde. Hun enige drank is regenwater, dat zij opvangen bij de deur van hun huizen.

Dat gebied is nu heel wat aangenamer en je kunt er prachtig fietsen. Wij maakten een terpentocht (40 km) en kwamen langs onbekende dorpen. Natuurlijk is Holwerd bekend van de boot naar Ameland, maar niemand gaat ooit de plaats zelf bekijken. Het is de moeite waard! Net als Ferwerd, gebouwd op een ruime terp. In het terrein merk je het nauwelijks, alles lijkt vlak, maar kijk je op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, dan zie je (door vertrekking van de verticale schaal) hoeveel hoger deze dorpen liggen dan de omgeving. De hoogste terp is Hogebeintum met 9 meter boven NAP. Waarom die zo hoog gemaakt werd, is mij een raadsel. Misschien waren er toen ook al mensen die bang waren voor een nog verder rijzende zeespiegel.

Onze route ging langs de volgende knooppunten (met Ferwerd als startpunt): 34 – 2 – 76 – 18 – 28 – 27 – 29 – 79 – 78 – 26 – 19 – 20 – 22 – 21 – 17 – 77- 16 – 13 – (34). Het stuk van 2 – 28 is langs de Waddendijk met mooi uitzicht over de kwelders; in de verte zie je Ameland liggen. Toch is het een beetje saai. Gunstig bij westenwind, maar zwaar trappen met oostenwind. Maar denk dan als troost eens aan die Middeleeuwse mens die hier moest overleven. Geen elektrische fiets – zelfs geen gewone! – geen graafmachine om een terp te bouwen, geen verwarming in huis en geen café om koffie te drinken. Een schop was nog het beste gereedschap en een regenton om het water bij de deur op te vangen. Er is veel verbeterd in duizend jaar!

Brantgum
Geplaatst in Fietsen | Een reactie plaatsen

Gelukkig wonen in Hilversum

Volgens de website Steengoed Hilversum is Hilversum de enige tuinstad van Nederland; overal elders zijn alleen tuindorpen gebouwd. Of dit waar is, weet ik niet, maar het was voor ons aanleiding eens naar Hilversum te gaan. Een wandeling in de bloemenbuurt leek mij wel wat. Nog zonder mondkapje – het is coronatijd – met de trein naar Hilversum Sportpark, en lopen maar. Eerst verkeerd, een beetje om, maar gaf niet want mooie huizen en gebouwen genoeg. Ik heb onze route op een kaartje uitgezet.

Bij de combinatie Hilversum en architectuur denk je al gauw aan Dudok. Ik wist dat hij het raadhuis van Hilversum had ontworpen, maar daar wilden we niet heen. Zo’n raadhuis is één gebouw en dat bekijk je dan en het zal zeker de moeite waard zijn, maar wij wilden in een buurt lopen: huizen en straten, groen en tuinen, scholen en kinderen. De scholen functioneerden gelukkig net weer op halve kracht. Dat Dudok zoveel heeft gebouwd in Hilversum, wisten we niet.

Dudok (1884 – 1974) was van origine geen architect; hij werd opgeleid als officier aan de KMA – genie, zeg maar vestingbouw. Militair ingenieur, de voorloper van mijn civiele vak. Daarna werkte hij aan forten in de Beemster. Op zijn dertigste werd hij aangesteld als directeur van Publieke Werken in Hilversum. Later werd hij, op eigen verzoek, benoemd tot stadsarchitect, meer in overeenstemming met zijn artistieke aanleg. Uit een beschrijving door zijn dochter begrijp ik dat hij de schrijver Bordewijk, ook geboren in 1884, waardeerde. Auto’s noemde hij knorrende beesten naar een van Bordewijks titels. Als ik naar zijn schoolgebouwen kijk, de Bavinckschool (1921) en de Oranjeschool (1922) meen ik Bint te zien. Maar dat is fantasie, want Bint was van 1934, en veel scholen uit die tijd hadden dat strenge geslotene.

Dudoks eerste opdracht in Hilversum was de bouw van arbeiderswoningen. Vol idealen werkte hij daaraan, schrijft zijn dochter: ‘De mensen moeten hier gelukkig wonen’. En het resultaat mocht er zijn: ‘Het werd een aardige, vrolijke buurt. Er werd waterleiding aangelegd en de bewoners kregen, o luxe, een echte wc.’ Geen douche of badkamer; daarvoor werd een badhuis gebouwd, eveneens naar ontwerp van Dudok. Ook heel gesloten, met aparte ingangen voor vrouwen en mannen. Vrouwen hadden toen sowieso al moeite met bloot onder een douche staan; hun bezoek was een fractie van het mannelijk gebruik.

Heel markant zijn die arbeidershuisjes. Toen kostten ze enkele duizenden guldens, nu gaan ze voor tonnen weg, in euro’s dus. Dudok was niet de enige die hier voor arbeiders bouwde. Veel architecten hadden hetzelfde ideaal: goede huisvesting bevordert het geluk. Maar dat hoefde niet persé samen te gaan met de bouw van tuinsteden. Lang niet alle arbeiders waren erop gesteld, om ook nog ’s avonds in een tuintje te werken. Een vrije zaterdag was er ook niet; het was al heel wat als je die middag naar het badhuis kon. Duur! 

Ik vind de bloemenbuurt ook niet typisch een tuindorp, zoals Vreewijk in Rotterdam dat wel is. Minder een gemeenschap, minder eenheid ook. Maar zeker kenmerkende en fraaie woningcomplexen. Aangenaam om te wandelen. Dat geldt ook voor de weg terug naar het station, door de Kastanjelaan, de Diependaalsedrift en het Laapersveld. Parken, vijvers en de bijbehorende pompgemalen, allemaal van Dudok. Een begenadigd ontwerper die anderen gelukkig wilde maken. Mooi nog na zoveel jaren.

Gebruikte websites:  Wikipediahttps://dudok.org/2020/05/12/dochter-mia-vertelt-over-het-alledaagse-leven-van-dudok/; https://www.dudokarchitectuurcentrum.nl/activiteit/bloemenbuurt-hilversum/

Geplaatst in Wandelen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Een echte Arnhemmer?

Hotel Zuid

In 1953 verhuisde ik, 7 jaar oud, met mijn ouders naar Arnhem. Althans dat dacht ik. Ik was er heel blij mee. Wij woonden in Gouda, in een polder, op het veen – slappe grond en dus slappe mensen dacht ik. In Arnhem zouden vast hele sterke jongens wonen en ik zou daar bij gaan horen. Maar dat viel tegen, want wij kwamen niet terecht in Arnhem, maar in Arnhem-Zuid: een polder over de brug. En zoals het raadslid J.J.W. IJsselmuiden in 1931 al zei: een Arnhemmer voelt niets voor een polder, die woont in bos en hei. Nu wonen er in Arnhem-Zuid bijna net zo veel mensen als in Noord, maar nog steeds is er dat onderscheid. Mooi wonen doe je in Arnhem, en dan bedoel ik echt Noord, ver van het centrum. Toch heeft ook Arnhem-Zuid wel duurdere wijken, maar daar behoort Malburgen, zoals de oorspronkelijke wijk ging heten, niet bij. Toen wij er kwamen, was de wijk sociaal gemengd: arbeiders en middenstand. Maar zoals het vaak gaat, migreerden de middenstanders op den duur naar andere wijken.

Malburgen is van de wederopbouw. De bouw begon in 1937 nadat de Rijnbrug gereed was gekomen. Toen de oorlog begon, stonden er 360 huizen. Tijdens de oorlog werd er doorgebouwd. Maar in 1944 werd het stadsdeel vernield tijdens en na Market Garden. ‘Zuid’ was het meest verwoeste deel van de stad, geen huis meer heel. Dat was niet te zien toen ik er kwam wonen. Die brug was er naar mijn idee altijd geweest, en dat er heel andere huizen hadden gestaan op de plek waar wij woonden, bedacht ik niet. Alle beschadigde huizen van Arnhem -Zuid waren in 1953 hersteld, de oorlog was lang geleden, zo voelden wij het toen. In 1964 – het jaar dat ik Arnhem verliet – was Malburgen volgebouwd en de wederopbouw voltooid.

Er kwamen Turkse en Marokkaanse gezinnen wonen en de gemeente vond onderhoud van straten en plantsoenen te duur. De wijk verpauperde. En toen kwam, in 2007, Ella Vogelaar. Arnhem kreeg vier naar haar genoemde wijken: Klarendal, Het Broek, Presikhaaf en Malburgen. In 2008 wandelde ik in Malburgen-West en een jaar later in Malburgen-Oost. Het opknappen was in volle gang, maar bewoners gooiden veel troep op straat en de gemeente ruimde het niet op. Op enkele plekken namen mensen zelf de bezem en de schoffel ter hand. Voorbeeldig! 

Recent maakte ik weer een wandeling door Malburgen. Ik begon op het De Monchyplein (halte lijnen 2 en 3) en stak de Nijmeegseweg over naar de Gelderse Rooslaan. Die heette vroeger Meinerswijkseweg, maar Gelderse Roos past beter in de bloemige naamgeving van Malburgen. Opvallend is de kleurstelling van de 16 flatblokken die daar in 1953 zijn gebouwd. Die was al aangepast bij mijn eerste wandeling, maar nu is die nog veel mooier geworden. Vroeger waren dit grauwe flats, nu lichten ze op. Ze spiegelen in het water, een van de sterke punten van Arnhem-Zuid.

Door de Dovenetellaan kwam ik bij de Meldestraat. In de plint van het op de hoek gelegen pand heeft de Arnhemse kunstenaar Arno Arts in 2010 een boekenwand verbeeld met de geschiedenis van Malburgen. Ik sta er zelf ook in met een foto door mijn vader genomen op de dijk, kijkend naar het hoge water van januari 1955. Toen was het echt hoog maar er was geen sprake van paniek. Na de boekenwand liep ik door de Meldestraat naar de Nijmeegseweg om die over te steken naar Malburgen-Oost. Daar begint de Zeegsingel en samen met de Meldestraat vormt die één lange lijn van water en groen. Het is de verbeelding van de polder die hier ooit was. Dit had Pieter Verhagen voor ogen toen hij Arnhem-Zuid ontwierp: een tuinstad in de polder, doorsneden door oude waterlopen. De Zeeg was een oude Rijntak, ooit de grens van Arnhem.

Op diverse plaatsen zag ik nieuwbouw gecombineerd met wederopbouw. Vrijwel alle oudere bebouwing is volgens de principes van de Delftse school. Dat betekent vooral eenvoud: de mens moest zijn plaats weten in de door God gegeven orde. Die orde is nu anders: in de Fluitekruidstraat staat de Turkse moskee naast de Kruiskerk. De Snoekstraat met nieuwbouw en de Visserslaan in Delftse schoolstijl vormen een mooi contrast, gescheiden door breed water. Op de rotonde vóór deze straten zwemmen vissen in de lucht. Ook de daarachter gelegen Zuringstraat en Kamillehof met buurtwinkels en speelplaats zijn typisch wederopbouw. Door de Graslaan teruglopend, zie je links fantasieloze (vissen)straten, rechts de Sint Margarethaschool: bordeauxrood in het groen. Daarna liep ik over de Groene Weide – helemaal volgens het idee van een tuinstad – naar de Huissensestraat.

Op de tegenoverliggende hoek stond vroeger de Sacramentskerk, in 2009 vervangen door het woonzorgcentrum Malburgstaete – waarom nou weer zo’n rare ae? – geopend door koningin Beatrix. Jammer dat die kerk is afgebroken, die was zó katholiek en zó jaren-vijftig. Bij het winkelcentrum De Drieslag viel mij het beeld Naakt meisje op tussen goed verpakte moslimvrouwen. Ik at een broodje bal bij Snackbar Jaap op het Suikerland en constateerde dat ze de gevels met de verkeerde steen hadden gerenoveerd. Dat was gelukkig beter bij Hotel Zuid. Hier begon Arnhem-Zuid en ook mijn wandeling. Ik kan hem alle Arnhemmers – ook de echte – aanbevelen. 

Geplaatst in Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen

Maassluis, in de diepte

Naar Maassluis reis je tegenwoordig met de Rotterdamse metro die over de oude Hoek van Holland-spoorlijn rijdt. Ik stapte in Rotterdam Alexander op, de trein stopte op 20 tussenstations. Toch gaat het snel, 42 minuten later was ik in Maassluis. Buiten Rotterdam rijd je bovengronds, in de stad blijf je onder de grond. Je stapt uit op Maassluis Centrum en dan is het meteen genieten. Overal water, havens en bruggen. Vlakbij ligt de Waterweg met de Delflandsedijk, de eerste bescherming tegen het buitenwater. De kruin van die dijk ligt hoger dan de oude Maasdijk die de stad vroeger beschermde.

Maassluis is gebouwd in twee etages. Het deel buiten de Maasdijk ligt hoog. Door de haven komt het getij binnen met soms hoge waterstanden. Maar het oudste deel van de stad, daar waar het allemaal begon, ligt laag. Deze twee delen worden gescheiden door de oude Maasdijk, met daarin de sluizen voor de uitwatering van het binnenwater. Het hoge deel heeft meer allure, is wereldser. Hier liggen, aan de haven, de huizen van de kapiteins en stuurlui die met hun slepers in alle uithoeken van de wereld kwamen: het is Hollands Glorie van Jan de Hartog. Aan de lage kant van de Maasdijk is het kleinsteeds. Dit is de samenleving zoals door Maarten ’t Hart beschreven in Het roer kan nog zesmaal om. Men kreeg er ruzie over de schrijfwijze van het woordje Heere.

Maassluis dankt zijn ontstaan aan de bouw van een sluis aan de Maas voor de uitwatering van Maasland. Oorspronkelijk heette het daarom Maaslandsluis. Bij die sluis vestigden zich vissers. Die moesten voor alle officiële handelingen naar Maasland, wat ze op den duur een beetje zat werden. En dus deden ze moeite om zelfstandig te worden. Dat lukte in 1614. In het centrum liggen twee vaarten, de Noordvliet en de Zuidvliet, die waterden uit op het Scheur. Maar de Maasdijk moest gesloten kunnen worden bij hoog buitenwater en daarom waren er uitwateringssluizen in de dijk: de Monstersche Sluis in de Noordvliet en de Wateringsche Sluis in de Zuidvliet. Die sluizen zijn nu permanent dicht. De dijk en de sluizen vormen de afsluiting van het oude centrum.

Aan de westkant van het hogere deel zie je een geweldige kerk, de Groote Kerk, gebouwd in 1629/39 op het Schanseiland. Deze is gebouwd naar het model van de Amsterdamse Noorderkerk. Niet alle Maassluizers gingen vanuit de diepte op naar deze kerk, er waren veel mogelijkheden. Dat ze in Maassluis zo goed op de hoogte waren van het geloof, zal wel bevorderd zijn door de vele plaatselijke godgeleerden. De plaats werd gesticht door dominee Fenacolius, ene Aegidius Francken schreef er zijn Stellige God-Geleertheyd en Abraham Kuyper, de emancipator van de ‘kleine luyden’, werd er geboren. Zijn geboortehuis staat aan de noordzijde van de Zuidvliet, de Dr. Kuyperkade. Nu is daar het Kruidvat gevestigd.

De Hoogstraat – in feite de Maasdijk – ligt tussen de beide sluizen in. Daar ligt ook het vroegere stadhuis, nu Nationaal Sleepvaart Museum. De huizen zijn hier op en tegen de dijk aan gebouwd. Aan de andere kant ligt de Stadhuiskade. Die vormt de afsluiting van de Kolk (de haven) die in open verbinding staat met het buitenwater. Hier liggen de historische sleepboten, want Maassluis was de thuishaven van sleepvaartbedrijf Smit en bergingsbedrijf Van den Tak. Het is de moeite waard om een kijkje te nemen in het museum en je te laten voorlichten door de vrijwilligers, merendeels mensen uit het vak. Op de kade staat een plaquette voor Jan de Hartog. Daar ligt ook de Furie uit Hollands Glorie.

Ook het Museum Maassluis op de Zuiddijk is de moeite waard als je iets van de geschiedenis wilt weten. De schilder Jongkind woonde zes jaar in Maassluis en schilderde er Hollandse taferelen met schaatsers in waterland. Er liggen drie dikke delen God-Geleertheyd en nog andere verhandelingen van Aegidius Francken. Vanuit Maassluis was er een veer naar Den Briel aan de overkant, kilometers zeilen over gevaarlijk water. Hoeveel veiliger is alles nu geworden! Wat heeft het diepgelegen Maassluis niet doorstaan aan dat grote, gevaarlijke buitenwater? Niet voor niets steekt die kerk boven alles uit!

Gezicht op de noordzijde van de Maas, Jacob Quack, Jan Houwens (I), 1665
Geplaatst in Kijken | Een reactie plaatsen

Napoleons nalatenschap

DSC_7610

De Zuid-Willemsvaart tussen Bocholt en Lozen

In 1799 werd Napoleon Bonaparte – 30 jaar oud – eerste Consul van Frankrijk. België was deel van de Franse Republiek, Nederland was een quasi-zelfstandige (Bataafse) Republiek. Rivaliteit was er tussen die twee sinds de Tachtigjarige Oorlog. Vóór Amsterdam was Antwerpen de belangrijkste haven van de wereld. In 1803 bezocht Napoleon Antwerpen en de Antwerpenaren vroegen om een rechtstreekse verbinding met de Rijn. Daar had Napoleon wel oren naar, want hij had weinig vertrouwen in zijn relatie met de eigenzinnige Hollanders. Antwerpen zou zijn oorlogshaven worden, het pistool op de borst van Engeland. Met een kanaal zou het hout, nodig voor de bouw van zijn oorlogsschepen, rechtstreeks uit de Duitse wouden naar de Antwerpse werven kunnen worden aangevoerd.

Het Grand Canal du Nord zou uit twee delen bestaan: het eerste deel van Antwerpen naar de Maas en het tweede deel van de Maas naar de Rijn. Napoleon – in 1804 keizer geworden – keurde het ontwerp in 1806 goed. Het kanaal zou volledig binnen zijn keizerrijk liggen, dicht langs de grens met de Bataafse Republiek, maar niet daaroverheen. Dat betekende: van Antwerpen langs Weert naar Venlo, want Limburg was ook deel van het Franse keizerrijk. Daar zou het de Maas kruisen en vervolgens verbinding maken met de Rijn – Frankrijks oostgrens – bij Neuss. Het kanaal zou 188 kilometer lang worden: 135 km van Antwerpen naar Venlo en 53 km van Venlo naar Neuss. Maar tussen Venlo en Neuss liggen heuvels, dus het kanaal moest eerst door zeven sluizen vanaf de Maas omhoog en dan weer door twee sluizen omlaag naar de Rijn. Maar nog veel erger was het tussen Antwerpen en Venlo: daar moest het hoogteverschil worden overbrugd door 28 sluizen, 17 omhoog van Antwerpen naar het Belgische Bocholt (niet ver van Weert), en daarna door elf sluizen omlaag naar de Maas bij Venlo. Omdat men water verliest bij het schutten (en door lek en verdamping) moest het kanaal worden gevoed met Maaswater dat van Maastricht, waar de Maas hoger ligt, werd aangevoerd naar Bocholt. Daar was een groot reservoir gepland, het Bassin Napoleon, als voeding voor de kanalen naar het oosten en westen – natuurlijk met een standbeeld van de keizer in het midden.

Deze diashow vereist JavaScript.

In 1808 begon men met graven. Duizenden arbeiders gingen met kruiwagens en schoppen aan de gang. Ook werd gestart met de bouw van de sluizen. Even over de grens bij Venlo – in Louisenbourg, genoemd naar Marie Louise van Oostenrijk, Napoleons tweede echtgenote – kwam een kampement voor de arbeiders. Daar werd ook de eerste van de zeven sluizen gebouwd voor de afdaling naar de Maas. De ruwbouw van deze sluis is nog te zien, net als grote delen van het kanaal tussen de Maas en de Rijn. Tussen Antwerpen en Venlo werden ook grote stukken kanaal gegraven, maar sluizen werden hier nog niet gebouwd. Want in 1810 werd Nederland ingelijfd bij het Franse keizerrijk en Napoleons Nederlandse raadgevers fluisterden hem toen in dat hij dat kanaal maar beter kon vergeten. Schepen konden gewoon de Rijn afvaren naar Rotterdam of Dordrecht, prima havens in zijn geëxpandeerde keizerrijk. De Belgen zagen die raad als de zoveelste streek van ‘de Hollanders’.

DSC_7592

De Zuid-Willemsvaart vanaf Sluis 17 bij Lozen richting Weert

Na Napoleons nederlaag in 1815 werd het voedingskanaal van Maastricht naar Bocholt en de kanaalsectie van Bocholt naar Nederweert onder koning Willem I omgevormd tot Zuid-Willemsvaart en doorgetrokken naar ’s Hertogenbosch. Ook daarover waren de Belgen kwaad. Willem was toch koning van het Verenigd Koninkrijk, waarom dan niet naar Antwerpen? Het telde allemaal op bij de haat tegen ‘de Hollanders’ en droeg zo bij aan de afscheiding van 1830, waarmee het zuidelijke deel van de Zuid-Willemsvaart Belgisch werd. En na de definitieve scheiding in 1839 verlengden de Belgen dat kanaal meteen naar Antwerpen. Dat werd het Kempenkanaal dat zich bij Bocholt, even voor de grens met Nederland, afsplitst van de Zuid-Willemsvaart en met 17 sluizen naar Antwerpen liep. Tientallen jaren weigerden de Belgen zelfs de naam Zuid-Willemsvaart te gebruiken; zij spraken van het kanaal van Maastricht naar ’s Hertogenbosch.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het Kempenkanaal werd later hernoemd tot Kanaal van Herentals naar Bocholt, omdat het bij Herentals aansluit op het Albertkanaal. Het is mooi gelegen in de vroeger armzalige heidevelden van de Kempen, nu zijn daar bossen met chique dorpen en grote villa’s. Je kunt erlangs fietsen en de originele tweetrapssluizen uit 1845 bewonderen. Uit dezelfde tijd dateren de sluizen 17 en 18 in het Belgische deel van de Zuid-Willemsvaart, bij Lozen en Bocholt (zie satellietbeeld boven). Het ziet er allemaal heel gemoedelijk uit, maar pas op: als Hollander wil je nog wel eens over de duidelijk getrokken verbodslijnen heen stappen om even beter te kijken. Dat wordt in België niet gewaardeerd: ‘gij zijt toch niet van de navigatie, dus wilt u hier wel verdwijnen’. Ook na tweehonderd jaar zijn de verschillen tussen Nederland en België niet weg!

DSC_7618

Sluis 18 bij Bocholt in de Zuid-Willemsvaart

Geplaatst in Fietsen, Kijken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Zieuwent, uit moeras gewonnen

Zieuwent

Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dankzij een door Rob Wolfs ontworpen wandeling kwamen wij terecht in het dorp Zieuwent in de Achterhoek. Nooit van gehoord natuurlijk. Maar zowel de plaats als de omgeving is boeiend. Het gebied rond het dorp was vroeger moeras. Het water kwam van de hoge gronden bij Lichtenvoorde vandaan en stroomde af naar de IJssel. Dat ging moeizaam door het flauwe verhang bij Zieuwent en dus stond het gebied jaarlijks lang onder water. Op het bodemkaartje is te zien dat er een groot laagveengebied lag tussen Lichtenvoorde en Ruurlo, en op het Actueel Hoogtebestand zie je dat het maaiveld bij Lichtenvoorde hoog ligt (rood) en noordelijk van Zieuwent laag (blauw). Het verschil is drie meter over een afstand van zes kilometer. Zieuwent zelf ligt ongeveer een meter hoger dan zijn omgeving.

Oorspronkelijk was er helemaal geen sprake van een dorp. De mensen woonden in groepjes bij elkaar op hogere plekken, zogenaamde droebels. Het hele gebied tot aan Ruurlo heette ‘het Zieuwent’, en die naam zou afkomstig zijn van ‘Syenwede’, met als betekenis: ‘laag moerasbos, gelegen aan langzaam stromend water’. De ontwatering van het Zieuwent is al in de 13eeuw begonnen. Daardoor konden mensen zich hier vestigen. In de 18en 19eeuw werden de Veengoot en de Baakse Beek naar het zuidoosten verlengd waardoor de ontwatering verbeterde. Pas in de 20eeuw werd het gebied ontsloten door verharding van zandwegen. Na eerdere natte jaren werd tussen 1970 en 1980 een ruilverkaveling uitgevoerd en de grondwaterspiegel verlaagd. Wateroverlast behoort nu tot het verleden. Maar zoals altijd, los je een probleem nooit definitief op: lage waterstanden zijn slecht voor de natuur. Het moerasprobleem is veranderd in een verdrogingsprobleem.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het dorp Zieuwent werd gevormd bij een droebel genaamd ‘t Hoenderboom. Daar werd in 1795 een kerk gebouwd: katholiek, want dat was die hele omgeving. (In de Tachtigjarige Oorlog bleef de streek lang Spaans.) Die kerk kwam er na een ruzie met een pastoor in Harreveld, een paar kilometer zuidelijker. Ondanks hun armoede legden de mensen uit het Zieuwent geld bij elkaar om een kerk te bouwen. De kerk werd verfraaid met kroonluchters, een orgel, een uurwerk en luidklokken, alles opgebracht door de gemeenteleden. De gemeente groeide, de kerk moest worden vergroot. Dat was in 1837.

DSC_7749

Die kerk werd ook weer te klein en dus moest er een nieuwe komen. Die moest groter zijn dan de kerk van het naburige Harreveld. De bedevaartskerk van Kevelaer was het grote voorbeeld – daar trokken de parochianen in 1895 en ‘96 heen. Bij de aartsbisschop in Utrecht lag een ontwerp klaar van de Arnhemse architect J.W. Boerbooms. Het was eerder door andere parochies afgewezen omdat het te duur was. Maar de parochianen van Zieuwent zagen er wel wat in; ze konden zelf meewerken met karren en schoppen om kosten te sparen. Toch vond de bisschop het te groots worden en daarom beval hij om de kerk enkele meters te verkleinen – tot verdriet van Boerbooms. Die maakte zelf niet meer mee dat de Sint Werenfriduskerk in 1899 werd geopend door de aartsbisschop; hij overleed in dat jaar op 49-jarige leeftijd. Na de opening werd het interieur verfraaid met altaren, muurschilderingen, gebrandschilderde ramen en alles wat een katholieke kerk moet hebben. Het is een en al pracht en praal in deze kerk, opgebracht door enkele honderden gezinnen waarvan de meeste in armoe leefden.

DSC_7735

Interieur van de Sint Werenfriduskerk te Zieuwent

Dat het dorp zo hard groeide mag voor een flink deel worden toegeschreven aan de kerk. A.A. Woppereis schrijft in zijn jeugdherinneringen over Zieuwent dat zijn ouders, na hun huwelijk in de Sint Werenfriduskerk in 1921, ‘overeenkomstig de leer van de katholieke kerk en onder toezicht van de pastoor, onmiddellijk begonnen met de gezinsvorming’. Dat gezin telde negen kinderen, in die tijd ongeveer het gemiddelde; zijn grootmoeder had 99 kleinkinderen uit elf eigen kinderen. Die kinderen lagen met drie in één bed, het derde kind met het hoofd tussen de voeten van twee anderen. In de kerk was een speciale kraambank waar vrouwen na de kraam konden biechten. Waarom? Ze zouden mogelijk sexuele genoegens kunnen hebben gehad tijdens de verwekking van hun kind. Maar veel plezier zal dat niet zijn geweest, vrouwen werd ingeprent dat ze hun man nooit mochten weigeren.

Het dorp was honderd procent katholiek en een hechte gemeenschap. Er konden wel eens allochtonen binnenkomen uit verder weggelegen plaatsen – in Nederland wel te verstaan. Als daar een enkele keer een protestant bij was, werd die gemeden als de pest. Zijn kinderen zaten alleen in de schoolbanken, liepen alleen naar huis, speelden alleen en zelf hadden de ouders ook niemand. Allochtonen van een ander geloof hielden het niet langer dan twee jaar uit.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ik wandelde rond en in het dorp. Het veen is verdwenen, er zijn grote huizen gebouwd waar men met vier personen woont, in plaats van met tien. Je bent zo aan de rand van het dorp en dan zie je weiden en boomsingels. De mensen zijn uitermate vriendelijk, alle kinderen die ik tegenkwam groetten. Ik zag een net verkocht huis, met vlaggetjes en een bord ‘Welkom in de buurt’. Op veel plaatsen domineert nog de kerk, maar dat is alleen het gebouw. De macht van de kerk is verdwenen, de pastoor is er niet meer en, zonder voorschriften over het aantal kinderen dat ze moeten baren, hebben de vrouwen misschien zelfs plezier met hun mannen. Een mensenleeftijd – minder dan een eeuw – en een wereld van verschil!

Gebruikte literatuur: J. en R. Boekelder, De historie van Zieuwent; A.A. Wopereis,Waor bu’j van? Een terugblik op mijn jeugd in het dorp Zieuwent in de jaren 1930-1947; A.M.A.J. Driessen, Gij beken eeuwig vloeijend. Water in de streek van Rijn en IJssel.

 

Geplaatst in Nadenken, Wandelen | Tags: | Een reactie plaatsen

Tuindorp Vreewijk (Rotterdam)

DSC_6821

De kruising van Groene Zoom en Grift

Het Rotterdamse tuindorp Vreewijk bestaat 100 jaar. Het is het grootste tuindorp van Nederland. De naam Vreewijk kreeg het in 1916, een van die vreselijke jaren van de Eerste Wereldoorlog. De wens tot vrede was er ook in Nederland.

Arbeiders woonden in sloppen en stegen, in kelders en eenkamerwoningen. Ziekte en dood waren overal. Kinderen stierven net wat minder dan er geboren werden: elk jaar 20% in de armere wijken. En daarom presenteerde de Engelsman Ebenezer Howard in 1898 het tuinstad-concept in zijn boek To-morrow, a peaceful path to real reform. Het werd in 1902 herdrukt als Garden cities of to-morrow en kreeg internationale bekendheid. Het is geen boeiende lectuur: het gaat vooral over de eigendom van de grond. In de ogen van Ebenezer Howard combineert de tuinstad het goede van het dorp met het voordeel van de stad. Een droom van eeuwigdurend geluk, illusoir waar Howard als kenmerken noemt: lage belastingen, veel werk en lage prijzen, geen overwerk. Maar heel praktisch bij: zuivere lucht, zuiver water en een goed rioolstelsel. En wie zou niet denken dat mooie huizen en mooie tuinen samengaan met opgewektheid en gezondheid?

Deze diashow vereist JavaScript.

In Engeland verrezen enkele tuinsteden, in Duitsland ook, onder meer van de firma Krupp in Essen. In Nederland sloeg de gedachte ook aan: in 1913 richtte de Rotterdamse bankier en voorzitter van de Kamer van Koophandel mr. K.P. van der Mandele samen met enkele andere notabelen de NV Eerste Rotterdamsche Tuindorp op. U ziet: industriëlen en bankiers doen niet alleen slechte dingen. In 1916 werd een dochterbedrijf opgericht: de NV Maatschappij Vreewijk; deze voldeed aan de criteria van de Woningwet van 1901 (de eerste woningwet!) om subsidie te verkrijgen voor de bouw van het tuindorp. Vervolgens maakte Berlage een stratenplan en werden andere architecten (De Roos & Overeijnder en Granpré Molière, Verhagen) ingeschakeld voor woningontwerp. Het eerste deel van het tuindorp werd gebouwd in De Vlieger (de plattegrond heeft de vorm van een vlieger), ik heb het omcirkeld op de bijgevoegde detailkaart.

Er zijn twee hoofdassen, Dreef en Lede, met op het kruispunt een klein centrum, de Brink, en daaromheen smallere woonstraten. De randen worden gevormd door de Groene Hilledijk, Bree, Lange Geer en Groene Zoom. Alle namen gaan terug op landelijke begrippen: een dreef is een brede weg waarover men een kudde naar het open veld dreef, een lede is een waterloop, een enk een hooggelegen akker, een vonder een brug. Het stratenplan werd gevormd naar de oude dijken en sloten die er al waren. Op de kaart met het actueel hoogtebestand is te zien dat de Groene Hilledijk en de Dordtse straatweg hoger liggen dan de omgeving. Ook het terrein van het voormalige Zuiderziekenhuis ligt wat hoger. Alhoewel dus een enk een hoger gelegen akker is, is dat hier niet het geval: het terrein loopt van noord naar zuid af; voorbij de Enk is het nog lager.

DSC_6815

Enk

Men probeerde het ontwerp zo te maken dat de huizen aan twee kanten bezonning hadden: ’s morgens vanuit het oosten en ’s avonds vanuit het westen. Dat kan als de straten zoveel mogelijk noord-zuid lopen. Hier loopt alleen de Groene Zoom zuiver oost-west. Maar zelfs in het veel kleinere deel De Valkenier zijn de straten noord-zuid. Langere straten moeten een beetje gebogen zijn om de wind te breken. Teveel is niet goed, want dan wordt het bebouwen moeilijker. Aan het einde van zichtlijnen is een markant gebouw gewenst en bij de kruising van de hoofdwegen horen winkels. Geen café met sterke drank, wel een gemeenschapshuis waar koffie en chocolademelk werden geschonken. En ergens nog een badhuis om de hygiëne te bevorderen. Daar werd overigens weinig gebruik van gemaakt, de arbeiders vonden die hygiëne niet zo belangrijk. Ze wasten zich in hun keukentje wel met behulp van een teiltje water, waar het hele gezin daarna gebruik van kon maken.

Deze diashow vereist JavaScript.

Belangrijk waren de tuintjes en vooral ook de schooltuinen. Die laatste heb ik niet teruggevonden. Wel veel tuinen, de wijk is enorm groen. Ook in echte woonstraten, zoals Maarland, waar de woningen geen voortuinen hebben, is er achter de woningen een gemeenschappelijk stukje groen. Dat sommige mensen daar niets om geven en lelijke schuttingen plaatsen is niet te voorkomen. Vroeger kreeg zo iemand een inspectrice van de woningstichting over de vloer, die hem of haar dringend adviseerde de zaak een beetje knap te maken. In de museumwoning op Lede 40 werd ik rondgeleid door zo’n voormalige inspectrice, ze liet me mooie dingen zien. Vreewijk is een aantal jaren geleden opgeknapt door de woningcorporatie; de wijk was verpauperd maar dankzij gelden uit de pot van mevrouw Vogelaar ziet het er weer prachtig uit.

Nadat ik de wijk was doorgelopen kwam ik bij het voormalige Zuiderziekenhuis. Dat wordt afgebroken en daaromheen bouwen ze nu nieuwe woningen. Niet onaardig, maar onvergelijkbaar met de tuinstadgedachte. De tuinstad heeft iets heel knus, je ziet de arbeider uit de fabriek thuiskomen en na het werk tevreden zijn pijpje roken of nog wat schoffelen in de tuin, terwijl moeder de vrouw de aardappels opzet. Een goede combinatie van vrijheid en coöperatie, volgens Ebenezer Howard. De arbeider toen was niet vrij, hoe kon hij dan samenwerken? Hij werd uitgebuit en niemand bekommerde zich om zijn gezondheid of die van zijn gezin. Niemand? Toch wel, want het waren kapitalisten die de tuinstad vormgaven en zo een rol speelden in de verbetering van de leefwijze van arbeiders. En zo is Vreewijk niet alleen een stedelijk monument, maar verbeeldt het ook de geschiedenis van de emancipatie van de arbeider.

Deze diashow vereist JavaScript.

Literatuur: (1) G. Feenstra, Tuinsteden en Volkshuisvesting in Nederland en buitenland, Amsterdam, 1920; (2) Saskia Jonkergouw, Tuindorp Vreewijk – op zoek naar de oorsprong van een initiatief.

Geplaatst in Wandelen | Tags: | 1 reactie

Kleef of Kleve?

Park Johan Maurits van Nassau

Park van Kleef met Grand Canal en Elten in de verte

Het Duitse Kleve ligt, vanuit Nijmegen, nog geen 20 kilometer over de grens. Het was vroeger een hertogdom, net zoals Gelre, en het heeft daar altijd nauwe banden mee gehad. De hertogen van Gelre waren oorspronkelijk afkomstig uit het gebied zuidelijk van Kleef. Maar ook de talen aan beide kanten van de grens lagen dicht bij elkaar. Volgens de Duitse Wikipedia is de spraak in dit deel van Nordrhein-Westfalen het Kleverländisch en dat is nauw verwant aan het Zuid-Gelders. In die taal spreekt men, net als in het Nederlands, van Kleef, niet van Kleve.

Kleef ligt op een heuvel en net als bij Nijmegen is er sprake van een bovenstad en een benedenstad. In de bovenstad ligt de Zwanenburcht en vandaar heeft men een prachtig zicht op het Rijndal. Aan de overkant van dat dal liggen Emmerich en Elten. Daar tussendoor stroomt de Rijn.

DSC_6752

Kleef met de Zwanenburcht en de Stiftskerk

Hoe Nederlands Kleef was, blijkt uit twee belangrijke toeristische attracties. In het lage deel van Kleef, iets buiten de stad, ligt een prachtig park, in de zeventiende eeuw aangelegd door Johan Maurits (Johann Moritz) van Nassau-Siegen – tevens bewoner van het Mauritshuis in Den Haag. Het tuinontwerp was van Jacob van Campen, de architect van het Paleis op de Dam. Hoe deze Johan Maurits daar kwam is interessant, omdat het laat zien hoe vooraanstaand Nederland in die tijd was. Johan Maurits – eerder Nederlands gouverneur in Brazilië – werd in 1647 door Friedrich Wilhelm I, Keurvorst van Brandenburg, aangesteld als stadhouder van Kleef. Friedrich Wilhelm was telg uit het Huis Hohenzollern (van de latere Duitse keizers), maar had via zijn moeder nauwe banden met Nederland. Omdat Brandenburg een achterblijvende staat was, werd hij voor zijn opvoeding naar het welvarende Nederland gestuurd. Later werd Brandenburg, en daarmee Kleef, deel van het koninkrijk Pruisen.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het is een mooi park dat bestaat uit twee delen, aan weerszijden van de Tiergartenstrasse. Hogerop ligt het amfitheater en het Sterrenbos met de obelisk. Aan de lage kant ligt het Grand Canal, precies in de lijn van de obelisk naar de Sint-Vituskerk op de Elterberg. Rechts van het Grand Canal ligt een wandelbos met bloementuin. Toen Lodewijk XIV dit zag, wilde hij ook zoiets bij Versailles. Maar omdat hij de Zonnekoning was, moest het natuurlijk wel een maatje groter worden.

DSC08750

Gezicht naar de Koekkoekplatz en het B.C. Koekkoek-Haus

De tweede attractie in Kleef is het B.C. Koekkoek-Haus aan de Koekkoekplatz. De Nederlandse landschapschilder Barend Koekkoek woonde hier van 1841 tot zijn dood in 1862. Hij had er een tekenschool en maakte veel romantische landschappen met bosachtige heuvels en brede dalen. Het museum ligt aan het eind van een aflopende stroom met fonteinen, dichtbij een van de vroegere stadspoorten. Er zijn ook enkele moderne schilderijen tentoongesteld.

Deze diashow vereist JavaScript.

Wat verder opvalt aan Kleef is vooral het nieuwe. Alles is van na de Tweede Wereldoorlog. Na de mislukte Slag om Arnhem trokken de geallieerden hier naar de Rijn. Kleef en Emmerik werden op 7 oktober 1944 zwaar gebombardeerd en daarna nogmaals op 8 februari 1945. Ook Wesel, Goch, Rees en Kranenburg werden verwoest. Het was voor de Engelsen geen punt: demoraliseren van de vijand was noodzaak. Dat daar burgers bij omkwamen hoorde erbij.

The_British_Army_in_North-west_Europe_1944-45-_Military_Government_Restoring_Public_Utilities_at_Wesel_BU7670

Kleef na de bombardementen

Loop je vanaf het B.C. Koekkoek-Haus naar boven, dan kom je uit bij de Stiftskirche, geheel herbouwd na de oorlog. Ik vond hem van binnen wat steriel, maar het is wel een indrukwekkende kerk. In de directe omgeving zijn beelden geplaatst die herinneren aan de Nazi-tijd. Aan de kerk hangt het ‘Kreuz der Versöhnung’ en voor de kerk staat de ‘Tote Krieger’ van de beeldhouwer Ewald Mataré uit de Eerste Wereldoorlog. Over die oorlog schreef hij:  “.. wir kämpfen doch mit einer an Bewunderung grenzenden Zähigkeit. Und wozu?” Dat viel in Nazi-Duitsland niet in goede aarde, en daarom werd zijn ‘dode soldaat’ verwijderd: het was entartete Kunst. Na de Tweede Wereldoorlog werd het teruggevonden en alsnog hier geplaatst.

Deze diashow vereist JavaScript.

Bijzonder is de plaats waar de synagoge stond: leegte. Ook in Kleef was het Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Nu is dit een plaats van gedenken en inkeer. Het zal niet makkelijk zijn geweest, om na het platbombarderen van de stad, ook nog deze collectieve schuld te erkennen. Loop je verder naar beneden, dan kom je uit bij het Spoykanaal. Allemaal Wiederaufbau, niet lelijk en niet mooi. Maar de stad is de moeite van een bezoek zeker waard, alleen al door deze geschiedenis.

 

Geplaatst in Kijken | Een reactie plaatsen

IJmuiden: een sluis, een dorp

Zeesluis IJmuiden

De toegang tot de oude Zuidersluis

Wat een bedrijvigheid daar in IJmuiden. Hoogovens, enorme sluizen, vissershavens, een cementfabriek, containers. En dan te bedenken dat hier niets was dan duinen en een paar stropers en jutters. En toen kwam Amsterdam met zijn wensen. Die stad was eens de grootste haven van de wereld. Maar de uitgang naar Pampus en de Zuiderzee was nauwelijks meer bevaarbaar en dus besloot koning Willem I dat er een Noord-Hollands Kanaal moest komen. Rechtstreeks naar diep water bij Den Helder. Dat was, in 1816, een waagstuk, want zo’n groot kanaal was nog nergens ter wereld gemaakt. Tachtig kilometer lang en geschikt voor zeeschepen. Maar het werd een mislukking, want het kanaal was te lang en te klein. Verruimen zou heel veel geld kosten. En dus besloot koning Willem III dat er een kanaal moest komen door ‘Holland op zijn smalst’. Dat was in 1860.

Bron: RWS Beeldbank/Bart van Eyck, 1987

Het oude IJmuiden met de eerste twee sluizen binnen de cirkel.

De regering voelde er niet veel voor en de Tweede Kamer ook niet. Veel te duur en Amsterdam wilde zelf niets betalen. Maar de stad bleef zeuren en paaide de koning zodat het er toch van kwam. Het grote probleem was dat de duinen tevens zeewering waren, die moest worden doorbroken. Sluizen waren nodig als waterkering. Ook moesten er hoofden in zee worden gebouwd om op voldoende diep vaarwater uit te komen. Het werk was begroot op 18,5 miljoen gulden, maar het werd uiteindelijk 58 miljoen. Het werd uitgevoerd door de Amsterdamsche Kanaal Maatschappij, de AKM, een Engelse particuliere onderneming. Na veel problemen kon het kanaal in 1876 worden geopend door koning Willem III. Het was een fiasco voor de aandeelhouders; het kanaal werd in 1881 overgenomen door het Rijk.

De doorgraving van de duinen gebeurde grotendeels met de schop. Hoe bedroevend de arbeidsomstandigheden waren, kun je lezen in De woede van Abraham van Conny Braam. Behalve het graven moesten natuurlijk ook nog de sluizen worden gebouwd en de hoofden in zee. Er kwamen twee sluizen, de Kleine Sluis met een oppervlak van 70 x 12 men later de Zuidersluis met 120 x 18 m(zie de panoramafoto). De nederzetting van arbeiders nodig voor alle werken werd daarna het dorp IJmuiden. In 1896 werd een aparte vissershaven geopend, er kwam een visafslag en een spoorwegstation om de vis af te voeren. In 1918 kwamen de hoogovens en in 1930 de cementfabriek Cemij, beide aan de overkant van het kanaal, in Velsen-Noord.

En nu wordt hier de grootste sluis van de wereld gebouwd: 500 m lang en 70 meter breed. Waarom zo groot? Voor de cruiseschepen, zegt men. Laten we kijken: Harmony of the Seas (2016) is de grootste: 360 m lang, 65 meter breed (bovenin) en 80 meter hoog! Er kunnen 6300 passagiers aan boord, samen met 2400 bemanningsleden. Leuk? Voor sommigen wel. En willen ze die in Amsterdam ontvangen? Ook daar geldt: voor enkelen graag. Voor veel anderen: liever niet. Maar in het informatiecentrum van de nieuwe sluis kun je lezen dat Amsterdam het milieu hoog in het vaandel heeft, met teksten als ‘Aarde stevent af op nieuw warmterecord’ en ‘Broeikasgassen naar nieuwe recordhoogte’. Nu al zal de nieuwe sluis, in verband met de stijgende zeespiegel, een kerende hoogte hebben van 8,75 meter boven NAP, ruim drie meter boven het huidige peil. Deze sluis zal die zeespiegelstijging zeker niet doen afnemen!

Deze diashow vereist JavaScript.

Behalve een bezoek aan het informatiecentrum SHIP maakte ik een wandeling door oud-IJmuiden. Het oude IJmuiden werd in de oorlog helemaal afgebroken, de Duitsers bouwden hier hun Atlantikwall. Maar ook het naoorlogse oude deel was slecht en dat wordt nu helemaal vernieuwd. De gemeente heeft er een leuke route uitgezet met veel informatie. Je hoeft niets te downloaden, geen routekaart te kopen, je begint gewoon bij een van de vele bordjes met uitleg die op straat zijn geplaatst. Een goed begin is bijvoorbeeld het mooie hotel Augusta, waaraan ook nog een boeiende geschiedenis is verbonden. De route is 5,5 kilometer lang, maar je kunt stukjes afsnijden. Daarna vis eten op de Kop van de Haven: de schepen varen dan zo ongeveer op je bord voorbij. Een aanrader voor een dagje uit!

Kop van de Haven

Kop van de Haven

Geplaatst in Kijken, Wandelen | Tags: , , | Een reactie plaatsen